Lammyskrabbels.nl

Columns

Gaandeweg

 

Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hierboven is of van iets beneden op de aarde… staat er in de tien geboden. En daarom vernielden woedende calvinisten halverwege de zestiende eeuw de heiligenbeelden in kerken en kathedralen, volgens de meester op de christelijke lagere school.

 

Een standbeeld is een beeld (op een voetstuk), ter ere van iemand opgericht, aldus Van Dale.

En daarom sneuvelen er beelden van historische figuren, die hun land weliswaar overwinningen en rijkdom brachten, maar daarbij de mensenrechten met voeten traden, zo vertelt het journaal.

 

Wat is er gaande? Moet alles nu weg?

 

De beeldenstorm in 1566 kwam niet uit de lucht vallen, enkel omdat andersdenkenden ineens het licht van het tweede gebod zagen. Er gingen meerdere pestepidemieën aan het oproer vooraf. Er heerste voedselgebrek door een graanoorlog en mislukte oogsten. Honger vergrootte de kloof tussen rijk en arm, tussen adel en burgerij en tussen het Roomse gezag en de calvinistische ketterij. Gaandeweg moesten ook boeken, altaren, schilderijen en zelfs orgels het ontgelden.

 

De beeldenstorm in 2020, na de moord op George Floyd, sluimert al langer in de hoofden en harten van mensen, die het beu zijn om als tweederangsburger te worden behandeld. Er heerst een wereldomvattende pandemie. Handelsoorlogen vergroten de kloof tussen arm en rijk, tussen links en rechts en tussen zwarte en witte bevolkingsgroepen. En gaandeweg ontkomen ook namen van straten, tunnels en scholen niet aan de hedendaagse inquisitie.

 

Het mag duidelijk zijn: Waar mensen genegeerd, geprofileerd, weggezet en niet gezien worden, waar tegenstellingen verharden en waar het bestaan bedreigd wordt door een onzichtbare vijand, slaat de vlam in de pan. Aan beide zijden van een steeds breder wordende kloof sneuvelen de heilige huisjes het eerst.

We hebben bruggen nodig en uitgestoken handen. Ofwel nabijheid.

En dat in een tijd waarin afstand het grootste gebod is.

 

En waar sta ik bij dit alles?

Ik, die niet weet hoe het is om anders te zijn. Die zich jarenlang schminkte uit liefde voor dat oer-Hollandse kinderfeest, ter ere van een bisschop aan wiens intentie ik nooit heb getwijfeld.

Ik heb gemakkelijk praten.

Ik sta op de Roode Steen en vertel onze held op sokken, pardon sokkel, dat er in de tuin van het Westfries museum nog wel een plekje voor hem beschikbaar is. Als tegenprestatie beloof ik de bruine schmink weg te gooien.

Gaandeweg kom ik tot inzicht. 

Het jaar 2020

Het jaar 2020 zou het jaar van vijfenzeventig jaar bevrijding zijn.

Maar al in het eerste kwartaal buigt het jaar af. Het neemt een afslag die ons naar de ernstigste crisis sinds de tweede wereldoorlog voert, aldus de minister-president.

 

Moeten we 2020 dan maar het jaar van de lichtkrans noemen?

Afbuigende lichtgolven veroorzaken zo’n krans rond zon of maan, zoals bij een zonsverduistering, zegt het Nederlands Verklarend Woordenboek. Een virus als COVID-19 is naar dit fenomeen genoemd.

Corona wil zeggen: krans van licht.

Een té mooie omschrijving voor zo’n lelijk virus.

 

Ik noem 2020 liever het jaar van de Handen.  

Handen die niet meer geschud en vaak gewassen worden.

Graaiende, zwaaiende en klappende handen.

Machteloze handen, gebald als vuisten.

Biddende en ten hemel schreiende handen.

Handen vol lespakketten voor kinderen. Handen die zorgen en bezorgen.

Gehandschoende, helende handen.

 

En vooral de sprekende handen van bewonderenswaardige woordvoerders, die anderen uit hun dove isolement halen. Gebarentolken die ik bij dezen graag eens in het zonnetje zet.

 

Zo wordt 2020 toch een jaar van licht.

En van bevrijding. 

 

Pissig

Stel, je rijdt op een snelweg en je moet dringend plassen.

Stel, je zit in zo’n sprinter zonder toilet met hevige aandrang.

Stel, je bent een pakketbezorger met een spoedeisende deadline én hoge nood.

In het eerste geval scheur je naar het dichtstbijzijnde tankstation en hoopt op een schoon toilet.

In het tweede geval stap je op het eerstvolgende station uit, vervolgt je reis na de boodschap en dient een klacht in bij de NS.

In het laatste geval rest slechts één noodgreep: de fles.

Zoals in die film Sorry, we missed you.

Een verhaal over armoede en uitbuiting als gevolg van marktwerking en doorgeslagen flexibilisering.

Een verhaal over bezorgers die als moderne slaven gebukt gaan onder de knoet van hun bazen en de bagger van ontevreden klanten moeten slikken.

Een verhaal over zo’n zzp’er in Noord-Engeland, van wie elke beweging wordt geregistreerd.

Zonder pakket je voertuig verlaten, gaat ten koste van je verdienste. Plassen buiten de bus is verboden. Vandaar die fles.

 

Onlangs belde zo’n bezorger aan. Met een pakket voor de buren. Het filmverhaal nog vers in mijn geheugen, vroeg ik of hij zin had in koffie.

‘Ik heb net gezet,’ loog ik.

De man bedankte hoofdschuddend. Tijd voor koffie? Echt niet. Ik zag het hem denken. Ik kon me niet voorstellen dat het er bij ons in Nederland net zo belabberd aan toegaat als in dat filmverhaal. Bij DHL en Post NL of hoe ze ook maar heten, werken ze toch ook met een CAO? In een land waar met enige regelmaat de alarmbel rinkelt over misstanden in een varkensslachterij, de prostitutie en de huisvesting van Oost-Europese arbeiders, zullen ze bij die bedrijven toch wel drie keer nadenken over een fatsoenlijk personeelsbeleid?  

 

Nog geen minuut later ging de bel opnieuw. Dezelfde bezorger weer, met een enigszins verontschuldigende blik in zijn ogen en zonder pakket nu. Enkel een plastic tasje. Met daarin zijn papieren en telefoon, vermoedde ik.  Of het koffie-aanbod nog gold en of hij gelijk even gebruik mocht maken van het toilet.

Zie je nu wel? Deze bezorger kan gewoon zijn voertuig verlaten voor een sanitaire stop. Zo erg als in dat filmverhaal is het bij ons toch niet.   

Na zijn toiletbezoek liep mijn gast de deur alweer uit.  

‘Wacht. Uw koffie, ’zei ik.

‘Ogenblikje,’ riep hij. ‘Ik bedenk ineens dat ik de bus niet heb afgesloten.’

Waarom geloofde ik hem niet? Was ik toch bang dat hij de koffie zou laten voor wat het was? En durfde hij nu, uit goed fatsoen, niet te weigeren?

 

Ik wilde hem van alles vragen. Of het echt zo erg was. Of wij niet beter onze boodschappen in fysieke winkels kunnen doen, al kost hem dat zijn baan. Zou hij ook niet liever wat anders doen? Daar was allemaal geen tijd voor.

Met frisse tegenzin, de handen in zijn zakken, liep hij naar zijn bus. ‘Bedankt voor de koffie.’

Dan schiet me te binnen dat hij dat plastic tasje is vergeten. papier.

‘Wacht.’ Ik werp een blik in de gang, het toilet en de kamer, terwijl de bus wegrijdt. Geen tas.

Dan snap ik het.

Dat tasje heeft hij daarnet al snel teruggebracht naar de bus, onder het mom van de bus nog moeten afsluiten. Niks papieren en telefoon. Daarin zat die fles natuurlijk en die heeft hij netjes geleegd in onze wc.

Dus toch….Post NL en al die andere bezorgdiensten zijn geen haar beter. Pure slavernij is het.

Plassen is niet toegestaan.

Om pisnijdig van te worden. 

Spookvogeltje

In onze tuin, de boom naast ons huis, de dakgoot misschien, huist een bijzonder vogeltje.

Van tijd tot tijd tjilpt het luid en duidelijk, ook ’s avonds, zelfs ’s nachts een paar keer en dat is vreemd. Vogels kwinkeleren toch niet in het donker? Misschien is het gewond geraakt, ziek zwak en misselijk. Of voelt het zich in de steek gelaten. Kunnen vogels zoiets als een burn-out hebben, of zich eenzaam voelen?

Hoe dan ook, het roept ons.

We speuren tuin, dakgoot en omringend groen af op zoek naar angstig fladderende vleugels. Behalve wat mussen, vinken, twee merels en een spreeuw is er geen andere vogel te bekennen, laat staan een gewond exemplaar. Bovendien tjilpen die anderen niet zo nadrukkelijk als dit sneue exemplaar.

Argwanend bekijk ik de buurtkatten, die onder de auto vandaan stuiven. Geen sporen van vogelrestanten, geen veertje. Niets. Als één van hen mij een indringende blik toewerpt, die ik niet anders kan interpreteren als ‘moet je wat van me?’ vertrouw ik het voor geen cent.

Er is nog iets eigenaardigs aan deze situatie: het vogeltje tjilpt altijd maar één keer. Nooit twee, drie of zeven keer achter elkaar. Nee, één korte doordringende tjilp, dat soms zelfs dwars door de wereld-draait-door en het nieuws te horen is.

Misschien is er met mij iets mis en hoor ik getjilp, zoals anderen stemmen ervaren en zie ik ze vliegen, bij wijze van spreken. Echter, manlief, altijd nuchter en kalm, hoort het ook.

 

Hij raadpleegt een collega die verstand heeft van alles wat vliegt en fladdert.

Het zou wellicht een roodborstje kunnen zijn, aldus de collega, gezien het nogal solistische optreden en de tijd van het jaar. En dat het getjilp in het donker te horen is, schijnt voor te komen bij roodborstjes. Alleen die ene tjilp steeds, daar heeft ook deze vogelkenner geen verklaring voor.

Dat we met een ziek geval te maken hebben laten we maar los. In de verwachting dat we vast nog wel eens oog in oog komen te staan met dit spookvogeltje, zoeken we niet verder en glimlachen even, zodra zijn tjilp ons begroet.

Tot die ene avond.

 

Terugreizend na een concertbezoek in Utrecht grabbel ik in mijn tas, op zoek naar wat te eten. Het is vol en rumoerig in de treincoupé. Als op niet mis te verstane wijze de inmiddels vertrouwde tjilp onze oren bereikt, kijken we elkaar verbouwereerd aan.

En dan dringt het langzaam tot me door.

Speurend in het menu van mijn mobiel ontdek ik dat niet de door mij ingestelde ‘tinklebells’, maar het meldtoontje daaronder staat aangevinkt. Vraag me niet hoe dat gebeurd kan zijn, maar ik weet nu waar het roodborstje zich schuilhoudt. Vol ongeloof vink ik het nog eens aan, alsof ik naar een plausibele verklaring zoek, die mijn domheid afzwakt. En tot hilariteit van mijn echtgenoot is daar ons roodborstje weer. Niet een, niet wee, nee wel drie keer achter elkaar. Tjilp, tjilp, tjilp.  ‘Tweet,’  zo heet deze toon.  

 

Ik zou er bijna van gaan twitteren. 

De moeder de vrouw

E-man-cipatie

 

Nog altijd is er sprake van ongelijkwaardigheid tussen vrouwen en mannen.

Te weinig vrouwen in topfuncties. Ongelijke salariëring bij gelijkwaardige functies en seksisme in reclames en media, om maar wat te noemen.

Natuurlijk gun ik ons, vrouwen, een gelijkgesteldheid aan de mannen. Natuurlijk protesteer ik wanneer grensoverschrijdend haantjesgedrag door de heren, oogluikend wordt toegestaan, terwijl de dames te horen krijgen dat zij een en ander wel uitgelokt zullen hebben. Natuurlijk vind ik ook dat politieke partijen vrouwen het lidmaatschap niet mogen ontzeggen en natuurlijk moet dit aan de man gebracht worden. Maar hoe doe ik dat?

 

Vroeger had je de VOS-cursus: Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving.

Halverwege de zeventiger jaren sleept een buurvrouw me mee naar zo’n cursus. Ik word me bewust van de vanzelfsprekendheden en valkuilen op het gebied van vrouw-zijn en ik herken de ingesleten patronen in mijn eigen familie en in mindere mate in mijn eigen situatie. Na een week of vier vertelt een deelneemster dat ze grote problemen heeft thuis, met haar man als gevolg van haar bewustwording omtrent hun relatie. Zodra ze over haar man begint wordt ze afgekapt. Het moet over haarzelf gaan. Niet veel later hoor ik van twee andere cursisten dat ook zij relatieproblemen hebben, mede door de ontstane inzichten. Een van hen stopt met de cursus om haar huwelijk te redden.

Ik vraag me af hoe dat zit met de verantwoording en waarom er niets is geregeld voor vrouwen én mannen die door de cursus in de problemen komen. Moet die bewustwording ook niet plaats vinden bij de mannen, op een gelijkwaardige manier?

Op dat soort vragen hebben de dames niet gerekend, merk ik. Met een dooddoener - ‘een vos-cursist moet soms door een zure appel bijten’- wordt mij en enkele medestanders de mond gesnoerd. Omdat ik het best ernstig vind wat er gebeurt, besluit ik mijn mond niet open te doen tijdens de lessen, maar stap ik na afloop van een les naar de twee cursusleidsters. Als ik zeg dat ik het inhumaan vind op zo’n manier gelijkwaardigheid af te dwingen, reageren de dames beledigd.

Volgens hen neem ik het op voor de mannen, in plaats van voor de vrouwen. En volgens hen blijf ik achter in de emancipatiegolf, omdat ik de vrouwen niet los zie van hun omgeving. Ook mezelf niet. Juist mezelf niet. Kortom, ik ben een hopeloos geval en een VOS-cursus onwaardig.

Ik doe een laatste poging: waarom de mannen niet meenemen in het gelijkwaardigheidsproces? Al is het maar om de kinderen een hoop verdriet te besparen. Een kwestie van samen optrekken.

Ik stuit op een brok graniet. De emancipatie van vrouwen, met name zij die de pech hebben hun leven te moeten delen met een man, is een hoog en heilig goed. En ja, dat vraagt offers. Ook van de kinderen. Die leren dan gelijk hoe het niet moet.

Doorgaans spring ik niet snel uit mijn vel. Meestal laat ik woede bezinken en bedenk vervolgens wat ik er mee aan moet. Maar dit keer ontplof ik, noem het een schande dat deze sektarische organisatie als een sluwe vos overheidssubsidie opstrijkt en intussen de samenleving op kosten jaagt, door mensen te indoctrineren en vervolgens aan hun lot over te laten.

Dat wordt me niet in dank afgenomen. Ik hoef niet terug te komen. De Vos is aan mij niet besteed. Ik

zou de anderen maar opstoken, volgens de één. Ik ben halsstarrig, meent de ander. Mensen als ik zorgen juist voor wanorde in plaats van gelijkheid tussen man en vrouw.

Mijn wenkbrauwen gaan omhoog. Vrouw én man, zul je bedoelen.

 

Ze zijn er niet meer, die VOS-cursussen. Roemloos tenonder gegaan, terwijl er nog altijd sprake is van ongelijkwaardigheid tussen de seksen. Wij moeten het zonder gesubsidieerde hulp doen.

En dat doen we dan ook. Stokend, halsstarrig en wanordelijk, maar toch…

Over energie gesproken

Op 17 februari ging het bij de Engel van Hoon over energie. In de breedste zin van het woord. Het energievraagstuk, maar ook onze persoonlijke energiehuishouding. Een bijzonder middag. Mijn aandeel bestond uit onderstaande column.

 

Daadkracht, fut, geestkracht, kloekheid, ondernemingslust, pit, puf, slagkracht, stootkracht, veerkracht, vitaliteit, voortvarendheid, wilskracht…

Als je de synoniemen voor het woord Energie leest, moet het welhaast om iets positiefs gaan.

Genoeg potentieel voor een kloek en veerkrachtig verhaal bij de Engel van Hoorn, zou je denken.

Vergeet het maar. Ik vrees dat ik vandaag niet aan uw verwachtingen zal voldoen.

Ik ben namelijk aangestoken door het anti-energie-virus.

Want wat ik ook aan daadkracht toon, welke ondernemingslust ook in mij opborrelt, hoeveel voortvarendheid en wilskracht ik ook loslaat op het gebied van energiebesparing, duurzaamheid en klimaatbeheersing, er hangt altijd een teleurstellende MAAR aan vast.

Het is nooit helemaal goed.

Enkele voorbeelden:

  • Als ik de auto inruil voor een elektrisch karretje, werk ik mee aan de ongezonde, vervuilende fabricage en ontmanteling van accu’s.
  • Als ik van het gas af wil draag ik bij aan ernstige milieuschade door herrie die warmtepompen veroorzaken.
  • Als ik nog minder vlees eet, dan ik al doe, gaan waarschijnlijk de slager, poeleir en viashandel failliet, met toennemende werkeloosheid tals gevolg.  

Zelfs met onze zonnepanelen gaat het niet altijd van een leien dakje.

Als het langdurig droog is, zoals afgelopen zomer, worden ze stoffig, waardoor minder zonne-energie ons huis binnenkomt. ZONde.

En toen er onlangs sneeuw op de panelen lag, terwijl er een stralende winterzon aan de strakblauwe hemel stond, werd ik – desondanks – bijna depressief.

Hoezo, the sky is de limit?

 

Ik word er lusteloos van, zeg ik tegen een vriendin.

‘Welnee,’ zegt ze. ‘Jij hebt gewoon last van een energielek.’

Ook dat nog. Toch maar even “energielek” gegoogeld.

Een energielek ontstaat door te veel focus op zaken die je niet kunt oplossen.

Daar heb je het al. Is zo’n lekkage dan maar een excuus om niets te doen?

 

Er zijn - lees ik verder - verschillende manieren om het lek te dichten.

 

  • Yoga  

Nee hé? Ik heb ooit een paar proeflessen gevolgd en als ergens mijn gedachten met me aan de loop gaan, is het wel op een yogamat.

  • Leven in het nu

Ja hoor eens…. Het gaat me juist om de toekomst, zodat ons nageslacht tenminste nog een NU heeft.

  • Loslaten

Als ik dat had gekund, zou ik u niet lastig te vallen met met mijn getob.

 

U hoort het: ik zit in een vicieuze cirkel. Zoals anderen zich opladen door zich te ontladen, verlies ik alleen maar energie door de verlammende realiteit. Blijkbaar is er tegen het anti-energie-virus geen kruid gewassen.

Tenzij “De Engel van Hoorn” mij nodig heeft:

Zou je een column willen lezen voor de bijeenkomst van zeventien februari?

 

Kijk, dààr krijg ik nou energie van.

Belhamel

 Je hebt lui die de klok luiden en lieden die ‘m horen luiden, of ze nu wel of niet weten waar de klepel hangt.

Klokkenluider is geen beroep. Een opleiding is niet nodig. Klokkenluider ben je, soms tegen wil en dank.

Vroeger was een klokkenluider niet alleen iemand die aan het kerkklokkentouw hing. Hij luidde de klok ook bij brand of ander naderend onheil en voor het sluiten van de stadspoorten. Verder werd de klok, meestal in de vorm van een bel, door de dorpsomroeper geluid om nieuws te verspreiden. Zo’n man werd ook wel bellenman genoemd. Mijn moeder heeft het nog meegemaakt. ‘Negen heit de klok. Negen heit de klok.’

Tijd voor m’n avondpap, dacht de een. Ik heb nog een uurtje, constateerde een ander.

Ik vroeg me soms af hoe lang die man erover deed. Maar ‘kwart over negen heit de klok’ bekt niet lekker.

Als de omroeper niet goed wist waar de klepel hing, ontstonden er soms grappige situaties, zoals die keer dat een cursus voor moeders niet door ging. ‘Hedenavond geen moedercircus.’

 

De klokkenluider van de Notre-Dame was lang de bekendste. Tegenwoordig is dat Fred Spijker, die als maatschappelijk werker bij defensie weigerde te liegen tegen de weduwe van een omgekomen soldaat. De eerlijke man stak zijn nek uit, dus ging zijn kop eraf. Alles werd uit de kast gehaald om te bewijzen dat er bij hem een paar steken los zaten. Leugens op leugens. Fred Spijker heeft jarenlang strijd moeten leveren, voor hij volledig eerherstel en een schadevergoeding kreeg.

Een drama voor hem en zijn familie, een schande voor defensie en onze overheid. Maar…, winst voor de samenleving: zijn gevecht vormde de opmaat naar een fatsoenlijke klokkenluidersregeling binnen de dienstverlening in Nederland. Immers, het klokkenluiderschap is niet iets van vroegere tijden. En zoals ik al zei: klokkenluider word je, zelfs tegen wil en dank, omdat je niet anders kunt dan onrecht of misstanden aankaarten. Niet iedereen kan leven met wegkijken.

 

Het luiden van de (alarm)klok is niet leeftijdgebonden. Een wethouder van een middelgrote stad vertelt:

Joris is acht jaar en voetbalt op straat met zijn vriendjes, waaronder Mehmet. Meestal verliest hij, want Mehmet is supergoed, al zit hij niet op voetbal. En ook niet op schoolzwemmen, net als zijn broertje en zus. Als Joris Mehmet uitnodigt voor zijn verjaardagspartijtje, zegt Mehmet op het laatste moment af.

Langzamerhand valt het Joris op dat Mehmet zich vaker verontschuldigd voor leuke groepsactiviteiten. En altijd met een vriendelijk lachje en een grappig bedachte smoes. Daarom duurt het even voor Joris’ ouders beseffen wat er speelt.

Joris laat het er niet bij zitten. Hij schrijft een brief over Mehmet en over Mehmets vader die vindt dat ze hun eigen broek op moeten houden. Joris luidt de klok, pardon, de bel van de burgemeesterswoning en geeft de brief persoonlijk af. ‘Want,’ zegt Joris, ‘het stadhuis heeft geen deurbel.’

Nog diezelfde week schakelt de burgemeester stichting Leergeld in.

Joris en zijn voetbalvrienden weten zeker dat de plaatselijke voetbalclub mooie tijden te wachten staan.

 

Klokkenluiders. Ze steken hun nek uit en rusten niet voordat er recht is gedaan. We kunnen niet onder. Petje af.

De samenleving wordt er alleen maar beter van.  

 

Het grootse kleine Nederland

De docenten in het basisonderwijs voeren actie. Uit protest tegen de toenemende werkdruk, onderwaardering en voortdurend veranderende eisen onderbreken zij hun werktijd met een uur.

Ook in mijn familie werken en werkten er mensen in het onderwijs. Ik herken de omstandigheden waaronder gepresteerd moet worden. Er waren weken waarin manlief zestig tot zeventig uur aan schoolwerk besteedde. Soms kwam hij de zoveelste avond laat thuis. Dan stak hij zijn hand uit.

‘Zal ik mezelf maar even voorstellen?’ ☺. Een deel van de lesvakanties gebruikte hij voor achterstallige klussen en voorbereidingen voor de eerstvolgende lesperiode. Dat was toen.

En met de invoering van Passend Onderwijs neemt de werkdruk alleen maar toe.

Hoewel we beseffen dat aan verbetering van de werkomstandigheden een prijskaartje hangt en de actie niet onmiddellijk tot het beoogde resultaat zal leiden, hebben de stakende meesters en juffen wel iets bereikt. Er is volop aandacht voor hun zorgen. De koopmansgeest in ons vraagt zich af of er oplossingen bestaan die niet al te veel kosten. Wat dat betreft staan we met beide benen in de Hollandse klei.

 

Maar dan mijn leesclub. Mensen met Nederlands als tweede taal, die de taallessen (bijna) hebben afgerond en nog beter willen leren lezen en converseren. Met hen deel ik wekelijks mijn passie voor literatuur. We kiezen boeken die herschreven zijn in een gemakkelijker te lezen weergave. Op dit moment verdiepen we ons in “Hoe duur was de suiker?” Een intrigerend verhaal dat zich afspeelt in Suriname, toen nog kolonie van Nederland. Een confronterend boek over slavernij, uitbuiting en de strijd daartegen.

De deelnemers komen uit Slovenië, Somalië, Eritrea, Hongkong, Iran en de Verenigde Staten. Hun achtergronden zijn divers als de wereld zelf. De één woont hier vanwege haar werk bij een internationale organisatie, waar alleen Engels wordt gesproken. Een ander is gekomen in het kader van gezinshereniging en weer een ander heeft een leven vol ellende en ontberingen achter zich gelaten en hoewel ze terug wil zodra het veilig is, maakt ze zich in hoog tempo het Nederlands eigen. Er is verdriet en zorg, maar vooral ook hoop en humor.

Wat deze bijeenkomsten zo boeiend maakt zijn de verschillen in achtergronden en ervaringen, waardoor elk van ons een eigen kijk heeft op de samenleving, op de actualiteit en op wat we lezen.

Iedere deelnemer vindt daar zijn/haar weg in, met begrip voor de ander. Het is voor hen bijzonder om volkomen jezelf te kunnen zijn in een omgeving die niet vanzelfsprekend is.

 

Maar als het over de stakende meesters en juffen gaat bestaat er geen verschil. Tot mijn verrassing zijn ze unaniem van mening dat het kleine Nederland een groots land is, waar je in vrijheid mag leven, waar niemand hoeft te bedelen en ieder recht heeft op zorg; waar de grootste natuurrampen aan voorbij gaan; waar men zelfs onder zeeniveau het water de baas is en waar een democratie bestaat om jaloers op te zijn. Dat je, als je ergens ontevreden over bent, dan gaat staken, dàt wil er bij de lezers van “Hoe duur was de suiker” niet in.

 

Ik luister en sta weer met beide benen in de Hollandse klei.

 

 

 

 

 

Blue Monday

Valt er nog wat te lachen? vraagt de Engel van Hoorn.

Zeker wel. Het stemt mij al vrolijk dat dit thema aan de orde komt in de maand, die te boek staat als de meest sombere van het jaar. Toeval of bewuste keuze?

Sowieso blijkt de maandag de zwaarste dag van de week te zijn, heb ik me laten wijsmaken. En januari is de maand die, naar het gevoel van velen, het langst duurt en waarin men reikhalzend uitkijkt naar salaris of uitkering en waarin we ook nog eens die blauwe enveloppen in onze brievenbussen vinden.

Verder is dit de maand waarin de dagen nog donker zijn en de vakanties ver weg.

En last but not least, het blijkt elk jaar weer dat halverwege januari de meeste goede voornemens alweer gesneuveld zijn.

 

Aldus de in depressies gespecialiseerde Britse psycholoog, Cliff Arnall. Hij bedacht in 2005 een, naar eigen zeggen, wetenschappelijk verantwoorde formule, waaruit zou blijken dat de maandag van de laatste volle week van januari de dag is waarop men zich treurig, neerslachtig of weemoedig voelt. Blue Monday. U bent gewaarschuwd. 

Nu werd onlangs bekend dat antidepressiva nauwelijks effect scoort. Men kan net zo goed een placebo nemen.

Ook dat nog. Wat een treurige bedoening. Hoe komen we in hemelsnaam blue monday door zonder met ons hoofd en hart in een dikke mist te verdwijnen?

Het leek mij een strak plan deze column te wijden aan een adequate oplossing, zodat ik u dit keer een zinvol advies mee kan geven. Toch heb ik even gegoogeld of iemand mij niet voor is geweest. En inderdaad. In 2014 kwam een goeroe die lachworkshops geeft op het lumineuze idee het lachrecord te verbreken. Op blue monday.

Ik wist niet eens dat er zoiets als een lachrecord bestond.

 

Het record stond op naam van Museumnacht Rotterdam, vanwege het thema Waterlanders in 2013. Of men net zo lang heeft gelachen tot de tranen over de wangen biggelden, wordt er niet bij vermeld, maar het Guinessbook meldt dat Museumnacht het record van 120 naar 124 heeft gebracht. Die getallen zeggen overigens niets over het aantal vrolijke deelnemers, de hoeveelheid lachsalvo’s of de hoogte van het gegier. Ze betreffen uitsluitend het aantal decibels. Alsof je humor kunt meten aan de sterkte van het geluid. BE-LACH-E-LIJK.

 

Helaas voor de lachgoeroe, zijn opgetrommelde cursisten, volgelingen en andere belangstellenden, mislukte de volgende – en tevens laatste - poging in 2014. De lachintensiteit bleef onder de norm. Volgens een journalist ter plekke was men vergeten iets te bedenken om mensen in een spontane lachbui te laten uitbarsten.

Hoewel er tijdens de aanloop naar dit spektakel nogal wat ruchtbaarheid aan was gegeven, bleef het na afloop oorverdovend stil. Niks decibels. Ik denk dat er een blue tuesday op volgde.

Men hulde zich in zwijgen. Ook de goeroe was het lachen vergaan.

Alleen de criticasters lachten in hun vuistje. Zelf vind ik het meer iets om te huilen.

 

Maar alle gekheid op een stokje. Lachen terwijl je het niet meent leidt tot neplachen. Ook huilen op bevel gaat niet zonder hulpmiddelen, zoals een doorgesneden ui of fisherman's friends. We zien het echt wel of het gemeend is.

Hoewel, ineens moet ik aan Noord-Korea denken.

U herinnert zich vast nog wel de televisiebeelden, een jaar of wat geleden, toen de Grote Leider was overleden?

We zagen een nieuwslezeres die schokschouderend en met een dramatische snik in haar stem, melding deed van het Grote Verlies. En we zagen een volk dat zich massaal in rouwbeklag stortte voor de camera’s van de toegestroomde wereldpers. Het zag er uit als één groot straattheater, dat aanvankelijk op mijn lachspieren werkte, maar waarbij ik al snel begreep dat hier sprake was van een georkestreerde dramatiek. Gewoon volkscultuur.

Zij weeklagen gezamenlijk. Wij houden stille tochten. ’s Lands wijs, ‘s lands eer.

Blijkbaar het kan wel: huilen op commando terwijl het toch gemeend is.

Wellicht gaat het dan net zo als wanneer iemands lach zo aanstekelijk is dat je wel mee mòèt doen, dat vervolgens uitmond in een onbedaarlijk lachen-met-z’n-allen. Wie weet leiden de roerende tranen van één Koreaan tot een huilen-met-z’n-allen Zoiets?

Persoonlijk geloof ik dat emoties zich niet laten sturen. 

Emoties komen en gaan op de golven van de getijden in ons leven.

 

En Blue Monday?

Ik geloof ook helemaal niets van wat die mijnheer Arnall op een blauwe maandag heeft bedacht. Volgens mij wilde hij – net als die lachgoeroe - meer aandacht voor zijn specialisme genereren. Dat gun ik hem best wel, hoor. Daar niet van. Maar om ons dan een depri dag aan te praten. Een hard gelag als je het mij vraagt en te triest voor woorden eigenlijk.

Of om je rot te lachen.

Beste Esther

Vanaf vandaag ken ik jou een beetje, al hebben we elkaar nooit ontmoet.

We zijn niet de enigen die deze plek bezoeken. Dag in dag uit wachten de bezoekers in lange geduldige rijen tot ze naar binnen mogen.

Ik kom hier voor het eerst. En voor het laatst. Net als jij.

 

De strenge veiligheidscontrole bij de ingang vraagt om geduld en begrip.

Bijna alles moeten we achterlaten. Ook mijn tas mag niet naar binnen. Portemonnee en mobieltje stoppen we in onze zakken De camera hangt over een schouder. Ik kan met minder toe dan ik dacht.

Jij moest, behalve jouw bagage en familie, ook je waardigheid achterlaten.

 

We zijn op vakantie. Dit keer geen wandeling in de bergen of fietstocht langs een rivier. We bezoeken steden, musea en andere bezienswaardigheden. Zoals deze plek, waar een vriendelijke gids op ons wacht, als we eindelijk naar binnen kunnen.

Welkom in Auschwitz Eén.

Jij kwam hier tegen wil en dank. In plaats van een busritje met je kleinzoon, belandde je een week eerder in de trein die jou na een lange, ongemakkelijke reis naar hier bracht, waar bewakers met geweren en honden op jou wachtten.

Arbeit macht frei.

 

Ik kijk, luister en huiver bij alles hier, dat nog altijd verschrikkingen ademt, zelfs na zeventig jaar.

Ik ken de geschiedenis en toch word ik opnieuw en wreed wakker geschud.

Jij keek om je heen en zag angst. Je luisterde en hoorde bevelen. Je huiverde en hoopte dat de wereld eindelijk wakker zou worden.

 

In een propvolle bus overbruggen we de afstand naar Auschwitz Birkenau. Nog verder van de bewoonde wereld, omdat het doel ervan geheim moest blijven.

Omdat de afstanden tussen de kampen, de barakken, crematoria en andere gebouwen fors zijn, lopen we nu veel buiten. De open lucht is af en toe een verademing.

Vermoeid, ontredderd en bang ben jij hier, op die Rampe, uit de trein gekomen. Na de dagenlange reis vol ontberingen, hoopte je dat de buitenlucht een verademing zou zijn. Valse hoop, toen jouw man en zoon naar rechts en jij naar links werden gejaagd. Nadat je begreep dat je hen, zonder afscheid te kunnen nemen, nooit meer terug zou zien, vormde het doel van deze bestemming geen geheim meer voor jou.

 

Auschwitz-Birkenau. Hét centrale knooppunt binnen Europa dat de fabrieksmatige, systematische en logistiek gestructureerde genocide realiseerde op miljoenen kinderen, vrouwen en mannen.

En jij was één van hen.

 

“The book of names” bestaat uit een enorme rij manshoge, boeken, elk zo breed als een deur, waarin namen en data zijn geschreven van wie hier zijn omgekomen. Ik sta er bij, kijk er naar en voel me nietig. Eindeloze rijen data. Geen nummers. Namen, ook die van jou. Ongetwijfeld.

Het is niet mogelijk die boeken in te zien. Ze zijn te dik, te groot, te veelomvattend.

Jullie waren met te veel.

Maar ik weet wie je bent.

 

Ik sta in de barak, waar jij het laatst hebt ‘gewoond.’ De overvolle barak, waarin je dagen en nachten zonder water, voedsel en zonder latrines zat opgesloten. De barak als ‘wachtkamer’ omdat je er pas uit kwam zodra er een gaskamer vrij was. De laatste barak, waar jij je naam en leeftijd in de muur kerfde. Ik leg mijn hand er op en google in mijn mobieltje je naam.

Ster betekent die.

We zijn even oud nu.

 

Dag Esther.

Voortaan woon je in mijn gedachten.

Book of names

 

Kijk eens de andere kant op

Onderweg naar huis luister ik met een half oor naar de autoradio. Een paar keer tref ik een autobestuurder, wachtend op een zijweg, tot hij de ruimte heeft om de voorrangsweg op te draaien. Wat me een paar keer opvalt is dat die automobilist niet in mijn richting (voor hem links) kijkt, maar juist de tegengestelde richting in de gaten houdt. Heeft hij mij wel in het vizier? Vraag ik me af. In één geval besluit ik de ander voorrang te verlenen. Voor alle duidelijkheid en veiligheid.

De nieuwslezer laat intussen weten dat onderzoek een flinke kloof aantoont tussen goed opgeleide allochtone (het wordt tijd daar een ander woord voor te verzinnen) jongeren en hun autochtone leeftijdgenoten. Ook als er qua diploma’s, werk- en denkniveau geen verschil is aangetroffen en ondanks alle activiteiten die deze jonge mensen ontplooien om toch maar gunstig in het beeld van de werkgever te komen. En ineens zie ik een overeenkomst met het nieuws: Zoals de automobilist zich teveel op de andere weghelft richt, zo gaat de aandacht te eenzijdig naar de mensen die ondanks kennis en kunde niet aan de bak komen.

Vanaf nu luister ik met een heel oor.

 

Later, in het journaal, zie ik hoe deze jongeren met een MBO of HBO-diploma naar een jobcoach gaan, presentatietrainingen bezoeken en zich suf netwerken, zonder dat het de kloof kleiner maakt. Wie doet hier nu wel en wie niet zijn stinkende best?

Tien minuten later volgt Hollandse Zaken. Dit keer gaat het over de werkloosheid onder 55-plussers. Mensen die na vele jaren dienstverband hun baan zijn verloren met alle nare gevolgen van dien. Mensen die ik weet niet wat verzinnen om maar te voldoen aan alle eisen die op hen losgelaten worden. Iemand, een arbeidswaardige zestiger, had zelfs onze premier een brief geschreven. Ruim twee maanden later krijgt hij een reactie: “Beste mijnheer.., waar werkgevers behoefte aan hebben is aan mensen die de mouwen opstropen...”

Ik tuimel bijna van mijn stoel van schrik en realiseer me onmiddellijk dat onze regering geen idee heeft wat er aan de hand is. En ook nu weer blijkt dat de focus voortdurend wordt gelegd op die werkloze 55-plusser. Hij, zij moet dit en dat, zus en zo, meer hier dan daar, of andersom. De verantwoordelijkheid ligt eenzijdig bij de werkzoekenden. Geen microfoon onder de neus van de werkgever, geen filmpjes van werkgevers die vertellen wat hun aandeel is en wat zij daaraan zouden kunnen doen. Niets daarvan.  

Voor ik mijn bed op zoek lees ik op teletekst dat de Europese Commissie voet bij stuk houdt wat betreft gelijk loon voor gelijk werk voor werknemers in alle lidstaten. Een Poolse vrachtwagenchauffeur hoort hetzelfde te verdienen als een Nederlandse truckbestuurder en tenminste het minimumloon. Het lijkt mij een eerlijke zaak, maar het zet me wel aan het denken. Blijkbaar nemen werkgevers liever geen mensen in dienst die niet Jansen, de Boer of van der Sluis heten, behalve als hij hen minder loon hoeft te betalen. Nu kan ik me bij dat laatste nog wel wat voorstellen. Een werkgever moet het ook maar zien te rooien en wellicht vindt hij geen mensen uit eigen land die het werk willen doen, maar het is wel meten met twee maten.

Gelukkig voor alle werknemers houdt de Europese commissie de rug recht in deze situatie. Ook wanneer regeringen van Oost-Europese landen de herziening van de detacheringsrichtlijn willen blokkeren. Hun zorg dat het voor werkzoekenden uit het Oosten lastiger wordt werk te vinden kan ik wel begrijpen, maar het aanpakken van ongelijkheid en het voorkomen van moderne slavernij en uitbuiting mag wat mij betreft zwaarder wegen.

Ongelijkheid heeft altijd negatieve gevolgen voor iedereen. Ook voor jongeren uit families met een niet-Nederlandse achtergrond, die hierdoor geen toekomst kunnen opbouwen, kan teleurstelling op teleurstelling leiden tot een negatieve houding versus de samenleving waarvan zij deel uit maken. Net als autochtone werkzoekenden overigens, die nu nog te maken hebben met verdringing.

Kortom, beste werkgevers, vakbonden, brancheorganisaties, UWV en overheid, leg de focus nu eens op de voor jullie tegengestelde richting. Kijk eens naar de werkgevers, vraag naar het waarom en hoe, wat kunnen zij doen om de kloof te dichten? Laat hen eens een flinke draai geven aan het stuur, zodat iedereen de ruimte krijgt.

Net als die automobilist, gisteren.

Welkom in Nederland

Dat mensen in groepen leven, binnen bepaalde grenzen, ontdek ik bij aardrijkskunde op de lagere school. De kaart van Nederland hangt prominent voorin het klaslokaal en na verloop van tijd teken ik dan ook bijna blindelings de contouren van ons land. Het land dat ik voor me zie als een hond, met de kop achterwaarts gedraaid ofwel met de staart aan de verkeerde kant. Een dier met gebreken, als je het mij vraagt. En niet te vergelijken met de leeuw in ons wapen.

Een jaar of tien ben ik wanneer ik voor het eerst bewust de grens passeer; dat gebeurt tijdens een uitstapje met een vriendin en haar familie. Ergens in het Zuiden wandelen we over een onzichtbare lijn.

‘Nu ben ik in het buitenland, jippie!’ De euforie neemt toe wanneer we teruglopen; dan zien we het grensbord: Welkom in Nederland.

 

Tijdens een opruimactie op zolder vind ik mijn allereerste schrijfschriftje terug tussen spullen van toen. Ik lees het volgekrabbelde etiket: ‘Dit boekje is van Lammy Vriesinga, Prinses Marijkestraat 18, Hasselt, Overijssel, Nederland, Europa, de Wereld, het Heelal.’

Ik ken mijn plaats, blijkbaar.

 

Met de buurtkinderen speel ik landverovertje op een braakliggend veld. Ieder neemt een mes mee. 

Of – wanneer onze moeders daar een stokje voor steken - iets dat daar voor door kan gaan. De gelukkige bezitter van een echt zakmes trekt daarmee vierkante vlakken in de aarde. Het bazigste kind verdeelt die.

Als volleerde grootgrondbezitters krassen we met het mes een naam in het ons toegewezen stukje grond: Spanje, Israël, Griekenland.

"Friesland" kerf ik in die van mij, waarop een discussie volgt tussen de bazigste en de zakmesbezitter. Immers Friesland is geen echt land, ook al spreken wij, friezen, een raar taaltje en houden wij er – volgens de buurtkinderen -  soms eigenaardige gewoontes op na.

Als de naam is goedgekeurd, weet ik dat mijn afkomst wordt gedoogd. Mikkend met een bot aardappelmesje leer ik grenzen verleggen en ontdek ik spelenderwijs dat dit gepaard gaat met het begrenzen van de door mijn buurtgenootjes vertoonde expansiedrift.

 

Hoewel onze landsgrens minder wordt afgebakend, spreekt het nog altijd tot ieders verbeelding. De Nederlandse hond is niet veranderd, zelfs niet met een op de zee veroverde polder erbij. Mijn grens-overschrijdend gedrag brengt ook niet meer diezelfde euforie als toen; daarvoor ben ik al te vaak over grenzen gegaan. Toch blijf ik me bewust van die onzichtbare, maar o zo herkenbare scheidslijnen, die volkeren en culturen kenmerken.  Vooral wanneer ik naar ons land en zijn inwoners mag kijken door de ogen van nieuwe mederlanders. Zo schrijft de Irakese Al Galidi in zijn ‘Dagboek van een ezel,’ dat hij, toen hij als kind op school leerde dat Nederland ‘laag land’ betekent, zich voorstelde dat men vanuit Duitsland en België via trappen afdaalde naar Nederland.

 

Op het schoolplein, in afwachting van kleinkinderen, sta ik naast een stille man; Ik denk dat hij ergens in een Noord-Afrikaans land is geboren en dat hij misschien helemaal niet stil wil zijn. Daarom begin ik een praatje met hem, over koetjes en kamelen, waar hij enthousiast op in gaat.

'Nu ik u toch spreek,´ zegt hij in voortreffelijk Nederlands met een verrassend noordelijk accent, ´Weet u in welke AZC honden worden toegelaten?´

Verbijsterd kijk ik hem aan. ´Hoe bedoelt u?´

Per slot van rekening weet je het maar nooit. Er zijn volkeren waar men de vijand voor hond uitmaakt, hetgeen door de ander als uitermate beledigend  wordt opgevat. Zoekt deze man ruzie?

‘Ik zoek een asielzoekerscentrum voor een hond,’ antwoordt hij ernstig.

'Uw hond?´

'Nee, een zwerver. Verwaarloosd en gebrekkig. Onze buurvrouw geeft ‘m soms wat vlees. Ze zegt dat ie naar het asiel moet. Honden heb ik nooit gezien in de vier AZC’s waar ik woonde, maar er zijn er meer, in dit land. Toch?’

Dan snap ik het.

 

Nadat ik de kinderen thuis heb gebracht, vertel ik het voorval aan mijn dochter. De jongens spelen al weer buiten, met de buurtkinderen. ‘Handen omhoog of ik schiet!’

Hé…, landverovertje.

 

In zijn ‘Dagboek van een ezel’ beschrijft de auteur wat er op zijn voordeur komt te staan, mocht hij ooit in dit land een huis voor zichzelf krijgen: Hier woont asielzoeker, allochtoon, buitenlander, terrorist, moslim, sjïet, gevaar, Al Galidi. Ook hij kent zijn plaats, blijkbaar.

Welkom in Nederland

 

Weerbaarheid

Op bezoek in mijn geboorteplaats, wacht ik in een winkel om een boek af te rekenen. Ik ben niet de enige. Naast me staat een man, die me vaag bekend voorkomt. Er is iets met hem. Zijn manier van kijken, die gespeelde glimlach, die bazige houding. Angst en ergernis bekruipen mij, als ik hem herken. Dit is mijn pestkop van toen.

Dagelijks kwamen we elkaar tegen. De broers N, op weg naar hun school en wij, mijn zusje en ik, in tegengestelde richting naar die van ons. Altijd moesten ze ons hebben met hun getreiter, geduw en gespuug. Vooral de oudste van die twee.

Door hen kwamen wij te laat en kregen straf. Ze smeten mijn boeken in de modder. Ze sleurden mijn zusje achter de dijk, het hoge natte gras in, waar ik haar huilend en besmeurt aantrof en verwoede, maar vergeefse pogingen deed haar weer toonbaar te maken. Ik was niet weerbaar genoeg, voelde me schuldig, omdat ik mijn zusje niet had weten te beschermen.

Nu staat die rotzak hier. Dit is mijn kans op revanche, schiet het door me heen.

Maar ach, hij zal inmiddels een gerespecteerde volwassene zijn, met keurig opgevoede kinderen. Hij zal zich zijn slachtoffers van toen niet meer herinneren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe weinig hij in uiterlijk is veranderd, op wat kreukels en het vergrijsde haar na.

Ik reken af. Buiten wordt er op mijn schouder getikt. ‘Dat is lang geleden. Lammy is het toch? Van de fietsenmaker?’

Dat die kwal mij bijna herkent. ( die fietsenmaker was mijn oom). Ik herken mezelf amper in dat meisje van toen, met die strik en een snoet vol sproeten.

‘Je stem verraad je,’ grijnst de man, alsof hij mijn gedachten kan lezen. ‘Je weet nog wie ik ben?’

Zeker wel, maar dat komt hij niet te weten. ‘Waar ik u van moeten kennen?’

Even uit het veld geslagen, herpakt hij zich en steekt zijn hand uit.

Ik negeer het gebaar. ‘Zegt me niets,’ lieg ik, ‘ sorry.’

‘Ach toe, van onze schooltijd. Mijn broer en ik, we speelden..’ Ik wil het niet horen. Ik bedwing de neiging mijn handen tegen mijn oren te drukken en weg te hollen. Ik kijk hem recht in zijn gezicht, waar dat vage cynische lachje niet van af te branden lijkt. Geen spoor van wroeging, zie ik, alleen die smalende grijns, die dwingende toon. Net als toen.

‘Ik ben Lammy. Klopt. Maar u herinner ik me echt niet.’ De teleurstelling op zijn gezicht doet me goed. Alsof ik het meen leg ik mijn hand op zijn arm. ‘Weet u, ik heb een prachtige jeugd gehad. Alle leuke herinneringen koester ik. Het zijn er domweg te veel en daardoor kan ik nu eenmaal niet alles onthouden. Alleen de mooiste, hé?’

‘Neem me niet kwalijk,’ stamelt mijn belager, ‘dat ik je heb lastig gevallen.’ Eindelijk een bekentenis. Je moest eens weten, denk ik. Schielijk trekt hij zijn arm terug. Terwijl hij wegloopt zie ik zijn gebogen schouders. Ik heb de broers N eindelijk verslagen.

 

Van alle trainingen die ik verzorg, is de vraag naar de weerbaarheidstraining ‘Ik ben er ook nog’ het grootst.

Ik moet nog wel eens aan dit voorval denken. Weerbaar ben je niet zomaar en niet op elk moment. Maar weerbaar, assertief zijn kun je leren en ook achteraf toepassen. Zelfs na een halve eeuw.

Mistflarden op Goede vrijdag

Goede vrijdag. Koos kijkt naar een programma op een Belgische tv-zender. Er zijn mensen van het eerste uur aan het woord, zoals medewerkers van de luchthaven, die aan het werk waren toen de aanslagen plaatsvonden. Ik kijk met een halve blik mee, terwijl ik ter afleiding en ontspanning een sudoku in de krant probeer op te lossen.

Een taxichauffeur staat op een standplaats, hoort de knallen, ziet de ruiten springen, het vuur ontbranden en de rook naar buiten kringelen. Hij springt uit zijn auto en gaat de vertrekhal binnen, om zijn zoon te zoeken, die daar in een horecagelegenheid werkt. Zijn mobiele telefoon filmt terwijl het verlichte scherm wat licht brengt in de duisternis. Het geluid staat ook aan.

De sudoku doet er niet meer toe. Of ik wil of niet, ik moet kijken, luisteren. Mijn adem stokt.

Het huilen, het roepen, het kreunen. Natuurlijk is het mogelijk me daar een voorstelling van te maken, zonder dat televisie of andere media het laten zien en horen. Maar toch. Het is op dat moment alsof we daar zelf lopen, in het kielzog van die taxichauffeur, op zoek naar een dierbare.

 

We werden vooraf gewaarschuwd: de beelden kunnen schokkend zijn.

We blijven kijken. We kunnen niet anders. Een klein meisje, een peuter, staat middenin de chaos zachtjes te jammeren. Haar handjes verfrommelen de stof van haar kleren. Ze kijkt even op naar dat beetje licht in de handen van de taxichauffeur. Naast haar, op de grond, tussen de stukken plafond en het neerdwarrelende stof, ligt het dode lichaam van de moeder.

De chauffeur vindt de jongeman niet. Uren later verneemt de vader dat zijn zoon gewond, maar in leven is.

 

Diezelfde avond rijd ik in de mist terug naar huis. Met het koor waar ik deel van uitmaakt heb ik enkele van de zeven kruiswoorden gezongen in een goede-vrijdag-viering. Ooit op muziek gezet door de componist Haydn. Prachtige klanken. Mooi gezongen, al zeg ik het zelf. Ik kan met een goed gevoel naar huis gaan, maar steeds is daar dat meisje, naast haar beschadigde moeder, die niet meer opstaat, haar niet meer oppakt, knuffelt, troost.

Ze wil niet van mijn netvlies wijken.

Ik spreek mezelf toe. Die taxichauffeur zal niet zonder meer doorgelopen zijn. Waarschijnlijk heeft hij om zich heen gekeken en vond hulpverlener die zich over het peutertje heeft ontfermd. Dit ontredderde moment heeft vast niet lang geduurd, volgens Koos eerder, in een poging mij wat op te beuren.

Het helpt niet. Ik weet het: ik doe dit mezelf aan en vind geen geruststelling. Ik kàn eenvoudigweg niet de knop omzetten. Het voelt als verraad aan dat meisje.

 

Tussen de afslagen vlak voor Hoorn verandert de mist in flarden. Ik zet de autoradio aan. De Mattheus vult de ruimte. Erbarme dich. Troostrijke woorden, warme klanken.

Ineens bedenk ik dat het beeld van dat kleine meisje in de verwoeste vertrekhal niet op zichzelf staat. Het is min of meer dagelijkse kost. In Syrië, Irak, Pakistan, Afghanistan, Jemen en Turkije.

Bommen, ook uit Nederland, doden. Overal staan huilende kinderen bij het kapotte lichaam van hun moeder. Hun radeloosheid is die van mij geworden. Ik kan en mag het niet negeren.

Radeloos. Het woord zegt het al: ik weet me geen raad, zoals velen. Maar ik moet er wel wat mee.

Ik moet mezelf raad geven. Behalve het beetje dat ik kan doen, het rodekruis financieel steunen bijvoorbeeld, al sus ik me daarmee niet in slaap, kan ik ook meer dan voorheen de focus leggen op de slachtoffers van geweld in verder-van-mijn-bed-landen.

Zulke afspraken kan ik met mezelf maken.

En verder kan ik nog maar één ding doen: Het beeld van dat meisje naast haar dode moeder op deze manier met jullie delen. Ik weet, het is niet veel, maar het is het enige dat ik kan. Schrijven.