Lammyskrabbels.nl

Mijn krabbels

Februari

Februari

Zoals elke zondagmiddag nestelt onze vader zich in de rookstoel voor een middagdutje. Zijn jenever staat al koud.

Mijn broer heeft de schaatsen ingevet. Hij, zusje en ik kijken elkaar aan. Zullen we dan maar?

Ik prevel een schietgebedje en kijk naar buiten, alsof daar onze hulp vandaan komt. Roomse jongens en meisjes en mensen die nergens-aan-doen fietsen voorbij. Mutsen op, schaatsen onder de snelbinders. Deze winterdag is een godsgeschenk. We hebben alleen vandaag. Jammer dat het zondag is.

Zondag wil zeggen: twee keer naar de kerk, niets kopen, niet sporten, geen wereldse zaken behartigen.

De zondag dient voor rust en heiliging. Schaatsen doe je maar door de week.

Dat is het ‘m nou juist. Morgen moeten we naar school én het gaat het dooien.

 

Onze moeder in de keuken heeft in de gaten dat we een poging ondernemen om het ijs rond het hart van onze vader te doen smelten. Zij vindt het goed, maar ‘Alleen als papa ook akkoord gaat.’

Gedrieën binden we de strijd aan met de onwrikbare standpunten die onze vader eerbiedigt. In slagorde naderen we de rookstoel. Hij zit met de rug naar ons toe. Ik denk dat hij ons al verwacht.

‘Pap?’

‘Wij christenen schaatsen niet op zondag.’

‘Maar morgen gaat het dooien.’

‘Alsjeblieft papa. Het kost ook nog eens niks.’

Ons bidden en smeken vindt geen gehoor. Met een vermoeid gebaar wuift hij ons weg.

 

We trekken ons terug in de gang om te beraadslagen.

‘Papa gunt het ons wel, zeg ik. ‘Maar hij ziet beren op de weg.’

Beren? Zusje vat het niet. ‘Welke beren?’

‘IJsberen,’ zeg ik wijsneuzerig. ‘Papa is bang dat een ouderling het te weten komt. Dan krijgt hij een vermaning.’ Dat woord  heb ik eens horen fluisteren, toen twee jongens van onze kerk kranten hadden bezorgd op zondag.

‘Laat mij maar even.’ Grote broer begint een eenmansactie.  

‘Als we voorbij de brug het ijs opgaan, ziet niemand ons. Daar woont toevallig ook niemand van onze kerk,’ fluistert hij in mijn vaders oor.

Onze vader gelooft niet in toeval. Alles is beschikt. Met een ongeduldig armgebaar veegt hij onze argumenten van tafel, zoals Jezus deed bij de geldwisselaars in de tempel. 

 

Terug naar de gang. Mijn broer vloekt zachtjes. Zusjes lip trilt. Ik stampvoet. Godallemachtig, dat  uitnodigende ijs is toch ook een deel van de schepping?

‘Jezus vindt schaatsen op zondag vast niet verkeerd,’ mopper ik.

Mijn zusje kijkt op. ‘Jezus? … Wacht eens even …’ Ze stuift naar de rookstoel met onze knikkebollende vader. ‘Papa, wat is eigenlijk het verschil tussen over het water lópen en…’

‘Huh?’ Vader schiet overeind. Klaarwakker  ineens. En dan weer dat magische gebaar met zijn arm, maar dan net even anders. ‘Vooruit, ga dan maar jullie zeurpieten.’ Hij zakt weer terug. ‘En denk erom, voor het donker …’

 

We zijn al weg, staan in no-time op de Dedemsvaart, rijden richting Lichtmis, keren terug, draaien rondes, proberen achtjes, vallen en staan weer op.

Dat moet ik Jezus nog zien doen.  

Januari

Mijnheer Schillinger vertelt geen verhalen meer.

‘Wilt u koffie?’ vraagt de gastvrouw. Mijnheer Schillinger knikt vriendelijk.

‘Kunt u opstaan?’ vraagt de fysiotherapeut. Mijnheer Schillinger komt steunend op zijn handen overeind. Zijn arts kan niets vinden dat naar afasie of een woordvindprobleem wijst. ‘Kunnen we even praten?’ vraagt hij. Mijnheer Schillinger schudt zijn hoofd en wuift de dokter weg.

 

Ooit vertelde hij verhalen. Aan buurtkinderen, verjaardagsvisites, bridgevrienden en ieder die het wilde horen. Als hij moppen tapte over Sam en Moos, viel zijn licht-Duitse accent niet eens op. Met zijn vrouw deelde hij een kleine woning in een volkswijk en in alle stilte het verdriet om hun onvervulde kinderwens.

Het leven van de Schillingers lijkt halverwege de jaren veertig te zijn begonnen. Alsof het paar bevrijd was van wat een liefdevol, onbekommerd samenleven in de weg had gestaan. Hun geheimen bewaarden zij zorgvuldig, glimlachend, met een zweem van pijn in hun ogen. Wanneer iemand voorzichtig over vroeger begon, zag mijnheer Schillinger kans het gesprek, met een kwinkslag, een andere wending te geven, waarop steevast een verrassende anekdote volgde. Zijn luisteraars hingen aan zijn lippen en stelden geen vragen meer. Mijnheer Schillinger bleek een geboren verteller te zijn.

Tot mevrouw Schillinger ziek werd.

Toegewijd verzorgde hij haar tot het eind. Tijdens de begrafenisplechtigheid waren het de buurtkinderen die zijn verhalen vertelden, inclusief  een anekdote over Sam en Moos, zodat er ook gelachen werd.

 

Verdrietig trok mijnheer Schillinger zich terug. Uitgeteld en uitvertelt.

Op de eerste verjaardag zonder zijn vrouw deed de buurt hem een puppy cadeau.

Samen wandelden ze dagelijks naar de begraafplaats waar hij, gezeten op een boomstronk, eerst onwennig, gaandeweg als vanouds, haar zijn verhalen vertelde.

Humor mengde zich met verdriet.

 

Op een dag gleed hij uit en brak zijn heup. Het gemis van de wandelingen naar zijn vrouw deed het meest pijn, tot de buren hem elke zaterdag naar de begraafplaats duwden, terwijl de hond uitgelaten rond de rolstoel rende.

Na zijn revalidatie verruilde mijnheer Schillinger de bridgeclub voor de ouderensoos. Als afscheidscadeau kreeg hij een stevige rollator, die hij vlak naast de zerk zette.

Dichter bij zijn Marie kon hij niet komen.

Mijnheer Schillinger begon weer verhalen te vertellen. Aan zijn soosgenoten, de buren, de verjaardagsvisite en wie het maar horen wilde. Verhalen over zijn vrouw, haar Oudhollandse poppenverzameling, hoe ze sprak, zong en lachte en over dansles waar ze langgeleden schoorvoetend aan waren begonnen. Verhalen met humor.

 

Tot een week geleden, toen hij bij het graf tussen de verwaaide takken van de uitgerukte struisvaren en onder de zwarte kalkletters op de steen haar naam zocht.

MOF stond er. En verschwinde!

Alleen de sterfdatum was nog zichtbaar.

Roerloos had hij daar gestaan; de hond naast hem met de staart tussen de poten en de kop naar de grond.

Toen bette hij zijn ogen, droogde zijn gezicht met een zakdoek, greep de hondenriem en duwde de rollator het pad af. Zonder om te kijken.

 

Sinds die middag zwijgt mijnheer Schillinger als het graf.

Januari

December

December

Bijna kerst. In mijn huis staat een lege boom. Op de tafel een doos met versiersels. The King Singers op sportify. We wish you een merries Christmas.

Het helpt niet echt.

Het begint al als ik de doos van zolder haal. Alsof het met elke tree opwaarts een beetje donkerder wordt, terwijl toch echt de TL-lamp in de nok van het huis zijn licht over zolder én trap spreidt. 

Maar verlicht voel ik me niet. 

Zelfs de twee porseleinen engeltjes, het vogeltje met gebroken pootje, de zacht glanzende ballen en het klokje dat, tot genoegen van de kleinkinderen, echt klingelt, vrolijken mij niet op. Als een duveltje uit de kerstdoos piekt dat rare gevoel tevoorschijn.

Vraag me niet waarom.

 

Is het de combinatie van het één en het ander? De haastige tijd, die sneller verloopt dan in de andere maanden, het naderende einde van weer een jaar voorbij en het donkere decemberlicht?

Is dat het?

Ik kijk naar de wachtende boom voor de tuindeuren. Nou ja, wàchten … Die boom weet niet eens wat hem te wachten staat.

Die kijkt naar buiten en denkt: Wat doe ik hier?

 

Als tiener overkwam het mij ook wel, dat ik ineens werd bevangen door een melancholie, op momenten die daar niet om vroegen en waarvoor ik geen verklaring had. Ik kon piekeren om niks.

“Kind, ga wat doen,” zei mijn moeder dan. “Dat helpt.”

Ze kreeg gelijk, realiseer ik me nu. Dus begin ik met een mix van gespeelde blijmoedigheid en een dosis tegenzin met het optuigen van de boom en spreek met mezelf af dat ik me niet moet afvragen waar dat gevoel vandaan komt. Dat weemoedige dat zich laat vergelijken met het wakker worden uit een droom waaruit ik juist niet uit had willen ontwaken en dat als een deken over me heen valt.

Door gewoon aan de slag te gaan en mee te neuriën met the King Singers, moet ik me er maar doorheen slaan.

We won't go until we get slome, so bring some right here.

 

Tevreden kijk ik naar de boom. Een heuse kerstboom nu. Manlief komt binnen met koffie en wijst naar de piekloze boom.

‘Ik mis nog wat.’

Ik mis ook wat, denk ik, maar wel iets anders dan jij. ‘Ik twijfel,’ zeg ik en zie vraagtekens in de ogen van mijn geliefde.

We drinken onze koffie.

Ineens weet ik wat me te doen staat. Terug op de zolder open ik dozen en vind wat ik zoek: De zilverwitte ster, ooit gekocht op een rommelmarkt. Het klokje klingelt zacht als ik de ster vastzet op de top van de boom. 

Ik glimlach dwars door de weemoed heen. Mijn moeder heeft nog steeds gelijk. Weg nu met dat gepieker. 

Good tidings we bring to you and your kin …

 

Het glas in de tuindeuren weerspiegelt de boom. Ooit gaf zijn lichtende verschijning betekenis aan bange volken op zoek naar troost. Nu wijst hij naar de naderende Kerst, naar de geboorte van dat Kind dat de hele wereld heeft verlicht. De boom weet weer waarom hij hier is. Hij straalt.

En hij piekt.

 

November

November

November 2007. Ik was bij mijn schoonmoeder in het hospice, keek en luisterde naar haar zoals ze bezig was afscheid te nemen van het aardse leven en daarmee ook van de spullen om haar heen. Ze wees naar het statige uurwerk aan de wand.

‘Die laat ik Koos na,’ zei ze. Een logica die klonk als een klok.

 

Op onze trouwdag schertsten zijn broer en zussen al eens op beeldende wijze de gebruiksaanwijzing van mijn kersverse echtgenoot, waarbij het woord “tijdmaniak” viel, als een van zijn kenmerkende karaktertrekken.

Het is waar: Koos is een man van de klok. Niet door alleen altijd en overal op tijd te zijn, ook zijn persoonlijke fascinatie met Tijd illustreert dat.

Zo was hij na een narcose meer onder de indruk van het feit dat er een uur was verstreken, zonder dat hij daar besef van had, dan met de uitslag van de ingreep. Ook herinner ik me de aanschaf van een antwoordapparaat. Nadat we een beluisterd bericht hadden verwijderd, meldde zich een vriendelijke vrouwenstem met: “rest geheugentijd, vijftien minuten.”

De op getogen reactie van mijn geliefde zal ik nooit vergeten: ‘Stel je voor, dat het mijn tijd is en je dan hoort: Rest geheugentijd…’

Zo’n man dus.

 

Het is zo’n ouderwetse staartklok, die je moet opwinden en die zich elk half uur laat horen. Zo één die een levenlang meegaat, aldus de juwelier in ons dorp, mits je hem van tijd tot tijd laat schoonmaken.

En dat klokt, eh klopt, merken we ook zelf. Na elke beurt tikt hij de seconden weer vrolijk weg. Nou ja, vrólijk … Zijn slag klinkt wat schor, hij oogt vermoeid en moet ook steeds wat schever tegen de muur hangen om de slinger in de juiste cadans te houden.

Eerlijk gezegd hangt dat ding als een vlag op de bekende modderschuit in onze woonkamer. Totaal niet in overeenstemming met het interieur en de tand des tijds zichtbaar op het versleten houtwerk. Wij zijn wel klaar met de klok van pa en ma.

Maar is de klok dat ook met ons?

 

‘De volgende keer dat hij ermee stopt laten we hem niet meer schoonmaken,’ zeggen we al jaren. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Het is toch de klok van pap en mam, hé? Wat is dan het juiste moment om er afscheid van te nemen? Een rondje familie en vrienden toont dat niemand interesse heeft.

Daarentegen zijn de jongste kleinkinderen wél enthousiast, maar dan op het moment dat de klok stilstaat.

‘Opa, de klo-hok!’

Geboeid kijken ze toe als opa de gewichten één voor één omhoog krikt, het uurwerk laat slaan voor hij de wijzers in de juiste positie plaatst en vervolgens een zetje tegen de slinger geeft.

Ademloos staren ze naar het binnenwerk als opa de zijkant opent en hen optilt om het ingenieuze mechaniek te mogen aanschouwen. Hoe hamertjes en tandjes verleden, heden en toekomstige tijd verslaan is niet uit te leggen. Ook wij weten er het fijne niet van.

Kwestie van klok en klepel.

 

September 2022. We komen thuis van een vakantie. Het valt direct op hoe stil het is in huis.

Gewoontegetrouw windt Koos de klok op. Het getik is ons zo vertrouwd dat we er pas erg in hebben als hij er na zeven minuten alweer mee uitscheidt.

Na nog een zetje gehoorzaamt het uurwerk alsnog. Gaandeweg de generaties aan wie hij zijn diensten levert, gedraagt zo’n klok zich meer en meer als een mens, zo lijkt het wel.

Wij sjouwen tassen en rugzakken naar binnen, zetten koffie, melden de kinderen dat we thuis zijn en zien dan dat de raderen van de klok wederom tot stilstand zijn gekomen.

Een teken aan de wand, menen wij. De klok is nu óók klaar met ons. Dat werd dan ook tijd.

Morgen gaat hij de deur uit. Of overmorgen. Of volgende week.

Hoe dan ook, hij gaat.

 

In de loop van de avond raken we gewend aan de stilte. We negeren een opkomend schuldgevoel en knikken dankbaar naar de wijzerplaat voor we ons bed opzoeken.

‘Rest geheugentijd … nul seconden.’

 

De volgende dag nemen wij de tijd om de dingen te doen waarvan wij vinden dat ze gedaan moeten worden? Of is het andersom: Neemt de tijd ons in beslag en doen we daarom alsof we niet nét terug zijn van vakantie?

Hoe dan ook, halverwege de ochtend galmt er ineens – de wijzers geven notabene kwart voor twaalf aan - een roestige klokslag door het huis.

‘Die slaat er ook maar een slag naar,’ roep ik onthutst.

Verbijsterd zien we de slinger slingeren en horen we de tik tikkeren.

‘Het begin van het einde,’ concludeert manlief. Dàt had hij gedacht.

De klok herpakt zich en begint de verloren tijd in te halen.

Nou zeg, zo kunnen wij geen afscheid nemen. Nog niet tenminste. Niet zolang dat ding blijft doorhameren.

Het is toch de klok van pap en mam, hè? Laat hem dan zelf maar aangeven wanneer zijn tijd is gekomen.

 

We zijn inmiddels twee weken verder.

De klok doet het nog steeds. Voor hoelang? Geen idee.

De tijd zal het leren.

Oktober

Oktober

 

 

Dansen in het flitslicht

opgaan in een monotone dwang 

 

ontsnappen aan de plicht

van het bestaan

oorverdovend lang 

 

lijven in het donker, dicht

opeengepakt 

 

 

echt,

alles is gericht

op het maken van contact.

 

Augustus

Augustus

 

 

 

Aalsen 12-08 – 1923             12-08-2022

 

Ik mis hem als ik orgels hoor, 

klavieren en een bas

in het pedaal.

 

 Ik mis zijn fluitje, sigaretten, 

zijn bijbel, zijn verhaal

 

Ik mis hem als de donder,

het weerlicht in de nacht,

zijn eigen-wijze taal.

 

‘Laat me mijn eigen gang maar gaan’

Ik mis het allemaal.