Lammyskrabbels.nl

Verhalen

Binnenspiegel

Enige algemene kennisgeving van het overlijden van de heer

Walter, Marcus Verwoerd. Vollenhove 14 februari 1923. Zwartewaterland 1 juni 2014

Dhr. H.C.M. Vriezema, Executeur-testamentair te Zwolle.

 

Geen uitvaart. Geen nabestaanden.

Omdat het nu eenmaal gebruikelijk is, vindt er een korte herdenking plaats in zorgcentrum Oeverland. De geestelijke verzorger spreekt van een pijnlijk verleden en van vergeving. Lianne, op de achterste rij, ziet de aula weerspiegeld in het grote raam. Tot het moment dat een bundel zonlicht het wolkendek splijt. Een moment is de Steendijk te zien. De dijk, waar aan het eind bij de oude niet meer werkende sluis, Walters huis staat. De plek waar ze ruim veertig jaar geleden vriendschap sloot met Walters hond.

 

‘Caesar, af.’ De hond zakt onmiddellijk door z'n poten. Als Lianne het hek openduwt, gromt het beest haar tegemoet.

‘Koest.’ Zijn baas klinkt al net zo schorgeblaft. ‘Wat moet dat hier?’

Lianne toont hem de slagerszak. Sinds vandaag is ze vleesbezorger op zaterdag. Haar eerste baantje. Dertien jaar, trots en niet bang voor woeste honden.

Walter woont aan een doodlopende weg, een eind van de bewoonde wereld. Hij laat de boodschappen bezorgen, komt zelden in het dorp en als hij er moet zijn, kijkt hij niet op of om en haast zich uit de voeten.

De mensen moeten hem niet. Althans, volgens Liannes moeder. Er wordt beweerd dat hij een korte tijd geschiedenisleraar is geweest. ‘Honderd procent afgekeurd,’ zegt de één. ‘Ontslagen,’ beweert een ander. Verder doet men er het zwijgen toe. Wanneer iemand na een borrel wat loslippig wordt en roept dat ze de kluizenaar hadden moeten opsluiten, bromt een tegenstander iets over eerherstel en lopen de gemoederen op als een laaiend vuur, tot monden weer op zwijgstand gaan.

Ook Lianne krijgt, ondanks de zaterdagse leveringen, weinig hoogte van de knorrepot. Maar met de hond raakt ze bevriend. De enthousiast zwiepende staart van het dier en de vreugdesprongen die het maakt, zodra Lianne in aantocht is, maken dat Walter het pruimt.

Pas nadat de zwijgzame man wat meer aan haar gewend raakt, durft ze het werkstuk over de tweede wereldoorlog ter sprake te brengen. Ze hoopt iets te weten te komen over een vliegtuig dat boven het erf zou zijn neergehaald. ‘Het is voor school,’ zegt ze als ze zijn afwerende houding ziet. Walter zegt er niets over te weten. Liannes vader meent dat Walter er alles van weet en haar moeder vindt dat ze de stumper met rust moet laten.

Op een dag, als Lianne terugkomt van een rondje met Caesar ziet ze Walter bladeren in het werkstuk, dat ze altijd bij zich heeft voor je-weet-maar-nooit. Twee zaterdagen later vertelt hij over het vliegtuig. Lianne krijgt een acht voor het werkstuk en stopt, als dank, een reep chocola bij het spek en de worst.

Stukje bij beetje ontdooit de norsige man. Wanneer hij Lianne ‘s nieuwsgierigheid opmerkt, deelt hij zijn kennis over vogels met haar, leert haar boogschieten en sporen herkennen. Steeds vaker bezorgt ze Walters bestelling het laatst, zodat ze met Caesar kan rennen en achter de hoge rietkragen met pijl en boog kan oefenen. Ze vertelt het niemand.

 

Nog voor de sluis in beeld komt, hoort ze Caesar blaffen. Het dier rent haar tegemoet, zodra ze het sluispad op fietst. Alsof ze gisteren nog hier was in plaats van een half jaar geleden.

Nu ze geschiedenis studeert woont Lianne bijna twee uur reizen hier vandaan. De bezoeken aan de sluis worden spaarzamer. Wanneer ze een weekend thuis is, moet ze haar tijd verdelen tussen familie, vriendinnen, haar vriend en - als het lukt - Caesar met zijn knorrige baas.

Lianne kriebelt de hond achter zijn oren en loopt naar de schuur. ‘Hoi Walter.’ De man, grijzer sinds ze hem voor het laatst zag, houdt zijn ogen gericht op het mes dat hij langs een slijpsteen schuurt.

‘Als de sluis staat te schudden, weten we dat jij in aantocht bent,’ murmelt hij. ‘Zoals dat beest tekeergaat. Dat kan maar één oorzaak hebben.’

‘Ik ben ‘t weekend weer eens thuis,’ begint Lianne, terwijl ze de vakkundige bewegingen van Walter volgt.

‘En je dacht: Laat ik eens kijken hoe het met die twee sluiswachters is?’

Ze glimlacht. ‘Zo is het.’

In de keuken krult Caesar zich op onder Liannes stoel, terwijl Walter thee maakt. Door het raam ziet ze de hoog opgeschoten rietpluimen, speels onderbroken door glinsterende brokstukjes water. Alsof de zon haar stralen laat dansen op een gebarsten spiegel. Ze staat op en speurt de oever af.

‘Waar is je boot?’

‘Verderop.’ Walter pakt de ketel op. ‘Langs het land van de nieuwe bewoners daar. Mensen uit Friesland.’

‘Zijn de oude buren vetrokken?’ Walter, zijn rug naar haar gekeerd, aarzelt.

‘Het ging mis met de boer na het ongeluk van zijn vrouw. Het kostte hem op ’t laatst zijn bedrijf. Gedwongen verkocht.’ In de spiegel ziet Lianne hoe Walters mond een nijdige streep vormt. Tot zover, betekent dat. Geen vragen meer stellen.

 

Als Lianne jaren later op een maartse zaterdagmiddag weer eens het sluispad op fietst, merkt ze direct dat er iets mis is. Caesar blaft haar niet tegemoet, Walter is niet in de schuur, niet in de keuken en niet op het erf. Ze negeert de hondendeken die over de heg hangt. Het is vreemd stil bij de sluis. Lianne aarzelt. Zal ze weggaan en later terugkomen? In plaats daarvan loopt ze de oever op. Nu ze hoger komt ziet ze de boerderij van Walters buren. Op het erf spelen kinderen. Hun stemmen ijlen weg in de wind. Een vrouw haalt wasgoed van de lijn. Verder weg, aan de andere kant van het water, loopt een man. Walter. Lianne roept, zwaait. Na een minuut of wat kijkt hij op. Als hij haar herkent zet hij koers naar de sluis. Over de smalle plank boven het water schuifelt hij haar tegemoet. Caesar is in geen velden of wegen te bekennen. Lianne huivert.

Ze gaat bij het raam in de keuken zitten. Haar voeten schuifelen over de lege plek onder de stoel. Walter loopt naar het aanrecht en draait de kraan open.  ‘Jouw grote vriend heeft ons verlaten,’ zegt hij. ‘Een tumor achter zijn ogen deed hem de das om.’ Het klinkt onaangedaan, maar Lianne ziet hoe zijn schouders zich krommen. ‘Caesar heeft nauwelijks geleden. Hij was bijna vijftien.’

Lianne huilt geluidloos. Walter zucht en blijft even staan, met een ongemakkelijke blik in zijn ogen. Dan recht hij zijn rug en zet een glas water voor haar neer. Na een paar slokken zakt de pijn in haar borst langzaam weg.

Walter weet niet hoe hij het gemis met haar moet delen. In de maanden daarna lijkt het wel of hij Lianne stukje bij beetje vergeet. Hij wordt weer de eenzame zwijger. De boog verstoft in de schuur. Lianne richt haar pijlen op haar werk, op vriendinnen, op Caspar, haar zwarte Retriever, die een pup van Caesar had kunnen zijn.

 

Dagen, weken en maanden doen de jaren voortsnellen. 

Vriendschappen komen en gaan. Caspar blijft, net als Jean, waarmee Lianne twee kinderen krijgt.

Niet lang nadat haar moeder is verhuisd naar Oeverland en ze via de tuin op weg is naar de parkeerplaats, ziet ze hem zitten. Hoewel de tijd zijn sporen heeft nagelaten, herkent ze Walter onmiddellijk. Kleumerig zit hij op een bank. Een dichtgevouwen krant op zijn knieën. Ze schuift naast hem. ‘Walter, dat ik jou hier tref.’ Het duurt even voor een zweem van herkenning over het gegroefde gezicht glijdt.

‘Jij,’ murmelt hij, ‘jij en Caesar, dikke vrienden.’ Dan komt ook een glimp geschiedenisleraar tevoorschijn. ‘Dat was in de tijd van de Koude Oorlog.’

Ze praten, eerst aarzelend, zoekend, tastend naar woorden. Over de tuin, de vogels, die duikvluchten nemen boven het water, waarin witwollen wolken spiegelen. Maar als Lianne over Oeverland begint, of over het dorp, vormt Walters mond een streep.

 

 Na elk bezoek aan haar moeder, die dieper wegzinkt in een moeras van vage herinneringen, zoekt Lianne hem op. Een foto van Caesar helpt haar herinneringen op te diepen uit zijn op zwijgzaamheid geënte brein. Herinneringen aan de zaterdagmiddagen met de hond, de vogels, de sporen, de pijlen en boog. Het personeel ziet het verwonderd aan. ‘Er komt nooit iemand bij hem,’ zegt een verzorgende. ‘Hij schijnt wel familie te hebben, maar zonder contact.’

Dat Walter nu hier woont. Lianne vraagt zich af hoe ze dat voor elkaar hebben gekregen. Hoewel hij er geen woord aan vuil wenst te maken, merkt ze dat het tegen zijn zin is. Soms wandelt ze met haar moeder in de rolstoel naar zijn vaste plek in de tuin. De oude dame heeft geen idee wie hij is.

Dat is maar beter zo, denkt Lianne, al heeft ze daar geen verklaring voor.

 

Op een zonnige dag in oktober sterft Liannes moeder. Vredig sluimerend in het bijzijn van haar kinderen glijdt zij hun wereld uit, nadat ze mompelde dat het leven goed voor haar is geweest.

‘Ik mis vader.’ Haar laatste woorden.

Nadat de uitvaart is besproken, neemt Lianne zich voor Walter te blijven bezoeken. Daar steekt hij een stokje voor. Op de dag van haar moeders begrafenis, ontdekt ze, aan het prikbord in de hal, het notarisbericht tussen posters over uitstapjes en het werven van vrijwilligers.

‘Ik wilde u bellen,’ zegt de receptionist, ‘om u te informeren. U bezocht hem soms, toch? Maar ik dacht, nu met uw moeder; het leek me beter te wachten tot na de begrafenis.’

‘Het is goed.’ Lianne spreekt zichzelf tegen. Het steekt haar dat ze het bericht bijna over het hoofd heeft gezien. Dit doet op een ongemakkelijke manier pijn en het voelt anders dan het verdriet om haar moeder.

Een medewerker had Walter een paar dagen eerder halverwege de ochtend in bed aangetroffen. Ongebruikelijk. Zelfs wanneer de griep hem in de greep had, stond de oude man nog bij het vroegste daglicht op. Nu bleven, behalve de gordijnen, ook zijn ogen gesloten.

Haar moeder heeft ze liefdevol kunnen laten gaan, bedenkt Lianne, maar Walter is haar ontsnapt.

Met het afdelingshoofd spreekt ze af de spullen uit haar moeders kamer te verhuizen, voorafgaand aan de herdenkingsbijeenkomst voor Walter. Wonderlijk hoe beide levens elkaar kruisen. Zijzelf als schakel in een vastgeroest snoer. Haar leven heeft ze met haar moeder mogen delen vanuit een vanzelfsprekende, liefdevolle, familieband. Met Walter deelde zij de liefde voor Caesar. Verder dan het huisje aan de sluis, de schuur met pijlen en boog en de hond kwam het niet. Het grootste deel van zijn leven blijft een mysterie. Is het omdat ze nooit vragen stelde, waardoor er toch een band is ontstaan tussen het meisje dat ze was en de oude eenzaam levende knorrepot? Ze zoekt al lang geen antwoorden meer. Sommige raadsels blijven liever geheim.

 

De lucht is grijs geworden. De lampen in de aula branden al. Regendruppels op het glas vervormen de Steendijk. Liannes herinneringen aan de sluis, de hond en zijn baas verdrinken erin. De buitenwereld onttrekt zich aan haar, alsof ze in een beslagen spiegel kijkt.

Er is een handjevol mensen bij de herdenking. Een verpleegkundige, iemand van het notariskantoor, enkele dorpelingen en drie bewoners van Oeverland.

Nog eenmaal wordt Walters leven tegen het licht gehouden, in het bijzijn van ‘wie er het zijne van vindt en van wie mild en zonder oordeel is.’ Als de voorganger is uitgesproken vult muziek van Strauss de ruimte en leest de domineesvrouw een gedicht voor. Er is geen lichaam om te begraven. Walter laat het na aan de wetenschap.

‘Toch een boetedoening,’ zegt een dorpeling na afloop tijdens de koffie. ‘U vond 'm vast zielig, maar die man was hartstikke fout in de oorlog.’

De koffiekop valt uit Lianne ‘s handen, het bruine vocht glijdt over haar schoot. Ze merkt niets van de hete gloed op haar benen, maar voelt wel alle kleur wegtrekken uit haar gezicht. Vol afgrijzen staart ze naar de vrouw, naar dat mens dat haar wereld doet kantelen.

Ineens wil ze weg. Weg van Oeverland, het dorp uit. Weg.

Handen houden haar tegen, poetsen over haar kleren. Monden praten tegen haar, ogen tasten haar gezicht af. Iemand houdt haar een glas water voor. Ze ziet niets, voelt niets. Er is alleen die stem. Ze hoort wat ze niet wil horen. ‘Hij werkte voor de Sicherheitsdienst; sommigen heeft ie..’

Geschokt rent ze de kantine uit.

Op de begraafplaats vindt ze zichzelf terug. Leunend tegen een kastanjeboom wacht ze tot het bonken in haar borst afneemt. Gedachten tollen rond. Woorden gesproken in de aula vermengen zich met flarden van toen. Ze hoort haar vader weer, de dominee, Walter, die vrouw. Stemmen verdringen elkaar. Ze duwt haar handen net zo lang tegen haar oren tot een roezemoezend suizen overblijft. Ze ademt een paar keer diep in en uit. Pas dan ziet Lianne de vredige zerken, het geruststellende groen en de vijver, die niets dan lucht weerspiegelt.

Er zal geen graf zijn, geen urn of steen. Niets.

 

Nadat Lianne haar auto op het doodlopende pad heeft geparkeerd, komt de verwarrende gedachtestroom tot stilstand. Ze stapt uit. De geur van nat gras mengt zich met de vage lucht van stilstaand slootwater. Het ruikt naar vroeger.

De oude sluis wacht, net als het scheve huis, waar een hek met een waarschuwingsbord, ‘Verboden voor onbevoegden’ omheen is geplaatst. Ze tuurt door het hek. Tussen de schuur en het water is een enorm gat gegraven.

‘Hé daar.’ Langs het smalle dijkpad komt een man aangelopen.

‘Bent u verdwaald?’ Als hij bij haar is wijst hij naar een strodak, net zichtbaar boven de glooiende dijk. ‘Wij zijn de buren. Mijn naam is Joris. Kan ik u helpen misschien?’ Lianne herkent hem. Hij was die middag bij de herdenking. Ze stelt zich voor en vertelt hoe ze hier als tiener terecht kwam en met Caesar speelde.

‘Walter was onze buurman, ‘zegt Joris. ‘Wij hebben sinds een jaar een zorgboerderij en hadden hem wel in ons midden willen hebben, maar hij wilde thuisblijven. Ook toen het niet meer ging.’ Joris schudt zijn hoofd. ‘Toen had hij niets meer in te brengen. Wij ook niet, overigens.’

‘Een eigenwijze mopperkont, maar erg eenzaam, ‘vult Lianne aan. Nu zou ze door kunnen vragen. Wat weet deze Friese boer nog meer van Walter? Ze zwijgt.

‘Uit dat grote gat is een bom opgegraven.’ Joris wijst. ‘Verderop moeten nog resten van een Britse bommenwerper liggen. Daarom dat hek en het bord.’ Hij grinnikt. ‘Onze jongens speuren het liefst de bodem af met hun detectoren, als wij hen niet zouden tegenhouden.’

‘Walter heeft mij leren boogschieten.’

Lianne vraagt zich af waarom ze dit vertelt. Verrast kijkt Joris op.

‘Werkelijk? Ja, het was een wonderlijk heerschap. Er gingen verhalen over hem. Maar dat was vroeger. Toen de oorlog uitbrak moet hij een jaar of dertien, veertien geweest zijn. Dat wordt wel eens vergeten.’

Hij steekt twee vingers in zijn mond en fluit. De kop van een Bordercollie verschijnt boven de rand van de dijk. Met een vaart komt het dier aangerend en dolt om hen heen. Lianne krabt hem achter zijn oren.

‘Dit is Sjors,’ lacht Joris. ‘Sjors waarschuwde Walter, toen onze rietkap in brand stond en wij niet thuis waren. Walter belde de brandweer en haalde waardevolle spullen uit ons huis. Zijn arm en rug zijn nooit helemaal genezen.’ Joris doet zijn hond de riem om. ‘Maar die man was zo vreselijk eigenwijs. Hij wilde geen hulp, geen ziekenhuis.’ Hij zucht en staart naar de krater op Walters erf. ‘Pas sinds die bomresten zijn opgeruimd, begrijp ik wat meer van de kluizenaar.’

Lianne houdt haar adem in.

‘Het moet in de winter van vierenveertig geweest zijn. Walters moeder en zusje waren op slag dood,’ gaat Joris verder. ‘Wist u dat? Zijn vader raakte zwaargewond en er was niet zo snel een arts te vinden die hem wilde behandelen.’ Lianne slikt. De schok van wat ze die middag had gehoord, golft weer op.

‘Ik weet het, een foute familie in een verkeerde tijd.’ Ze klinkt schor.

‘Als ik het goed heb begrepen, heeft een voormalige Duitse legerarts, die naast de kazerne in de stad woonde, de man in huis genomen. Walter had zich verstopt in het riet. Gebroken en vol bitterheid keerde zijn vader weken later terug. De bom kwam van het westen, hè? Walter zorgde voor zijn vader wat traumatisch voor de jongen geweest moet zijn. Volgens zeggen.’

De stilte suist om hen heen. Sjors likt haar handen, terwijl Lianne’s gedachten teruggaan naar de zaterdagmiddagen. Ze ziet weer hoe Walter haar werkstuk leest en hoe hij, eerst met tegenzin, van het vliegtuig vertelt. Over zijn leeftijd en zijn vader had hij gezwegen.

In haar verbeelding vergroeit het beeld van de jongen met de mopperige, eenzame bewoner van het voormalige sluiswachtershuis.

‘Walters vader stierf kort na de bevrijding.’ Terwijl Joris de hond streelt, dwaalt zijn blik over het omheinde erf. ‘Voor mijn gevoel kun je de keuze van die man niet in de schoenen van zijn zoon schuiven, maar daar wordt in het dorp verschillend over gedacht.’

Lianne volgt zijn blik. Het oude sluiswachtershuis, scheefgezakt tussen de woekerende struiken, oogt vriendelijk. Alsof het haar herkent.

‘De jongen was godzijdank te jong om vervolgd te worden, hoewel, sommige dorpelingen..’

Joris beweegt zijn schouders alsof hij iets van zich afschudt. ‘Maar wilt u niet even meekomen naar de boerderij? Wat drinken misschien?’

Lianne aarzelt. ‘Vriendelijk aangeboden, maar ik blijf liever nog even hier, als u dat niet erg vindt.’

Joris lacht. ‘Mocht u in de buurt zijn, altijd welkom.’ Ze geeft hem een hand.

‘Ik wil u bedanken.’ Ze klinkt beheerst. ‘Voor wat u me zojuist heeft verteld.’

Ze kijkt Joris en Sjors na tot ze opgaan in de horizon. Als Sjors blaft, is het of ze Caesars hoort.

 

Haar ogen tasten de omgeving af. Het is een mooie, stille plek. Walter was een fijne baas voor zijn hond, een waakzame buurman en geduldig met haar. Ze zou over het hek willen klimmen en in de schuur op zoek gaan naar de pijlen en boog, maar het bord aan het hek straalt onverbiddelijkheid uit. Ondanks alles schiet ze in de lach. Verboden voor onbevoegden. Als Walter dat eens wist.

Dan draait Lianne het hek, het scheve huis, de schuur en de bomkrater de rug toe. De van onder tot boven volgestouwde auto wacht. Zelfs de binnenspiegel is bezet. Ze moet een paar keer heen en weer steken om de wagen te kunnen keren, terwijl ze de zijspiegels nauwlettend in de gaten houdt. Omringd met haar moeders dierbaarheden, draait ze de Steendijk op.

Achteruitkijken heeft geen zin.

Niet schrikken

Onbewust is ze in een andere wereld terecht gekomen. Een wereld die zich aandient, zonder dat zij daar invloed op heeft. Een wereld met flarden herinneringen. Onherkenbaar. Ze is een sleutel kwijt, vriendinnen herkennen haar niet en ze verzorgt een maaltijd in een vreemde keuken.

Het is ver voorbij middernacht. Lara is in diepe slaap waarin droombeelden komen en gaan, waarbij ze zich afvraagt waar die sleutel is en wat dat raar ogende gerecht is dat op de kookplaat staat. Ze ruikt niets, proeft niets, maar hoort wel iets.

Een zachte bons, alsof iemand in een naastgelegen kamer tegen de wand loopt. Ze beseft dat dit geluid niet thuishoort in haar droom. In plaats van in de vreemde keuken vindt Lara zichzelf terug in bed. Ze opent haar ogen en ontmoet een muur van duisternis. En doodse stilte. Ook van buiten dringt niets de slaapkamer binnen. Langzamerhand lost het zwartste zwart van de nacht op. Ze ontwaart de contouren van het doorwoelde dekbed naast haar, dat rijst en daalt in het nietsvermoedende ritme van Koens ademhaling.

Dan hoort ze het weer, het geluid, een zachte bons, meer een plof. Twee keer kort na elkaar. Ze onderdrukt een gil en klauwt naar de slapende man naast haar. ‘Koen, hoor je dat?’

Onder het dekbed ronkt haar echtgenoot gestaag door. Buiten doorbreekt een auto de stilte. Het koplamplicht werpt een schaduw langs het plafond. Lara’s trillende vingers tasten vergeefs naar de lichtschakelaar, terwijl twijfel en angst haar omringen. Ze sjort aan het kussen waarop haar man zijn onschuldige dromen droomt. ‘Wakker worden.’

Het dekbed komt in beweging. Koen kreunt. Hoort ze een voetstap beneden?

‘Koen,’ sist ze, ‘een inbreker.’

‘Hou op. Wat is er?’ Kreunend draait hij zich om.

‘Er is iemand beneden.’

‘Je hebt gedroomd.’

‘Echt niet, ik werd er wakker van.’

Koen geeuwt. ‘Waarvan?’ De spottende ondertoon ontgaat haar niet.

‘Luister, luister dan.’ Ze spuugt de woorden de schemer in.

Koen laat zijn ogen wennen aan het duister, richt zich op en kijkt naar Lara, die strakgespannen naast hem ligt. Hij hoort haar nauwelijks ademen. De stille slaapkamer zegt hem dat Lara weer eens overdrijft. Tot het geluid, dat overduidelijk van beneden komt, tot hem doordringt.

Lara siddert. Koen laat zich terugvallen in het kussen. Een diepe frons tussen zin ogen. Wat is hier aan de hand? Roerloos liggen ze naast elkaar. Gespitst op wat komen gaat. Maar de rust van de nacht is teruggekeerd, alsof ze het zich hebben verbeeld. Alsof ze beiden ontwaken uit een akelige droom. De stilte ligt als een zware deken over hen heen.

Koen hijst zich op de rand van het bed en klikt op de schakelaar.

‘Saskia?’ Zijn ogen knipperen tegen het plotse licht. Lara werpt een blik op de wekker.

‘Sas is ruim een uur geleden thuisgekomen.’ Ze had haar dochter de zoldertrap op horen sluipen, kort nadat ze de leeslamp had uitgedaan. Lara had niet laten merken dat ze nog wakker was. Saskia verontschuldigde zich altijd, wanneer ze laat thuis

 kwam, in de veronderstelling dat haar moeder er wakker van wordt. Dat valt niet uit haar hoofd te praten. Ondanks het overslaan van krakende traptreden, weet Lara wanneer haar dochter in huis is. Pas dan kan ze zich overgeven aan de slaap.

‘Godzijdank,’ verzucht Koen, met zijn hoofd in zijn handen, de ellebogen steunend op zijn knieën. ‘Laat me even nadenken.’

Het duurt Lara te lang. ‘We moeten,’ begint ze.

‘Het is vast loos alarm.’ Koen staat op.

‘Eindelijk,' denkt ze. 'Doe voorzichtig,' fluistert ze, terwijl haar gedachten koortsachtig voortjagen. ‘Neem een kleerhanger mee, of zo.’ Ze weet zo gauw niets anders te bedenken.

 

Geruisloos sluipt Koen de slaapkamer uit. Een zachte gloed onder de kierende badkamerdeur zet de overloop in een milde schemer. Hij hoort de torenklok slaan en werpt een blik in de badkamer, waar alles is, zoals altijd.

Een lichtstreep glijdt door het smalle raam naar binnen, langs de bovenkant van de spiegel, waarin hij even zijn warrige haardos ontwaart, tot de duisternis terugkeert.

Op de zoldertrap slaat hij behoedzaam de vierde en laatste tree over, om zijn dochter niet te alarmeren. Hij hoeft de deur van haar kamer nauwelijks open te doen. Saskia's regelmatige ademhaling stelt hem gerust. In het hele huis is het stil. Niets aan de hand. De plof kwam misschien uit het huis van de buren. Of van buiten. Lara zal het gedroomd hebben.

Terug op de overloop aarzelt hij. Zoekt hij zijn bed weer op of zal hij beneden een kijkje nemen? Het geluid van voetstappen, dat uit de keuken lijkt te komen, doet hem ineenkrimpen. In een oogwenk schiet hij de slaapkamer in, buigt zich over zijn vrouw en tast naar de plank boven haar hoofd. Nooit eerder heeft Lara haar man zo gezien. Dat krijtwitte gezicht, die opeengeklemde kaken en de enorme schrik in zijn ogen. ‘Wat denk je? Kun jij?’

“Ben je besodemietert? Ik kan niks. Een pistool tegen mijn kop krijgen, zeker? Of een mes in mijn ribben.’ Hij grist de telefoon van de plank.

                                                                                                          

Buiten klaagt een krolse poes. Daarna is het weer stil, alsof nu ook huis en tuin de adem in houden.

‘Misschien is hij weg?’ Lara probeert hoopvol te klinken.

‘Wie?’

‘Die insluiper natuurlijk. Wie anders?’

‘Met onze spullen, zeker?’ Koen veegt het zweet van zijn voorhoofd. Zijn stem trilt. Lara staat op en tilt voorzichtig het rolgordijn op en tuurt naar buiten. Enkele auto’s staan roerloos aan de overkant geparkeerd. Alles lijkt gewoon buiten, terwijl het schijnsel van de maan komt en gaat in het schemerige spel met de wolken. De bladeren van de kastanjeboom bewegen in de wind. Ergens blaft een hond. Ze is het badlaken vergeten, ontdekt ze. Het hangt nog aan de lijn. Ze schrikt van de bange vrouw die de donkere ruit weerspiegelt. De argeloze nacht lijkt verder weg dan ooit.

Koens duim stuitert over de toetsen. Lara laat het gordijn los, gaat op het bed zitten, raapt de sprei op en slaat die om zich heen.

‘Met Tuinstra, we hebben inbrekers binnen.’ Koen, op de rand van het bed, zijn rug naar haar toegekeerd, praat gedempt. Zijn boxershort glijdt af. Een vlek piept boven de rand uit. Ze kent die vlek al vanaf toen ze voor het eerst met hem onder de douche stond. Ze legt haar vinger erop. Een moedervlek op een vaderbil. Ondanks alles schiet ze in een zenuwachtige giechel. Verschrikt slaat ze een hand voor haar mond.

‘Nee, geen vergissing. Nee, niet gezien. Maar we horen het duidelijk. Wat zegt u?’

Huiverend trekt Lara de sprei op tot aan haar kin en doet een schietgebedje. Laat die insluiper in hemelsnaam beneden blijven. Of nee, laat hem weggaan. Wat valt er nu te scoren? Een televisie uit het jaar nul, een cd-speler die wel eens hapert, een antieke klok en haar laptop die in een tas onder de trap staat.

Ze hoopt dat de insluiper die over het hoofd ziet. Zonder haar spullen heeft ze morgen een groot probleem. Lara wil schreeuwen. Ze duwt haar gezicht in de sprei.

'Zeker weten, mevrouw. Stuur alsjeblieft … pardon? Ik blijf aan de lijn, ja.’ Koen friemelt aan zijn borstharen. ‘Boterbloemlaan elf. Tuinstra. Klopt. Twee onder één kap.’ Hij draait zich om. ‘Ze sturen een surveillance,’ fluistert hij.

De tranen laten zich niet langer tegenhouden. Ze dempt het gierende snikken in de sprei, die ze tegen haar gezicht duwt. Haar maag verkrampt alsof ze iets verkeerds heeft gegeten. Een misselijk makende golf stuwt tegen haar borst. Ze trekt een tissue uit de doos op het nachtkastje en wrijft over haar gezicht.

De centralist houdt Koen aan het lijntje. Hij humt en omklemt de telefoon alsof het een laatste strohalm is. Met zijn andere hand maant hij Lara tot kalmte.

De gedachte aan Saskia die ze boven haar hoofd in een nietsvermoedende slaap weet, brengt haar tot bezinning. Ze ademt nog eens diep in en haalt haar neus op. ‘Water,’ stamelt ze.

Ineens dringt het tot Lara door dat ze al een paar minuten niets meer heeft gehoord. Zou de insluiper er echt vandoor zijn? Ze staat op en schuifelt de slaapkamer uit. Drie stappen is ze verwijderd van de badkamer. Gelukkig heeft Koen de deur opengelaten. Toch stelt het vertrouwde beeld van de overloop in de schemer haar niet gerust. Angstig werpt ze een blik langs de traptreden naar beneden. Wat een geluk dat Saskia al thuis is. Een verloren snik ontsnapt haar. Ze geeft er niet aan toe. Ze zijn onderweg, ze zijn onderweg fluisteren, als een mantra, haar gedachten.

In de badkamer oogt alles vertrouwd. Het ruikt er naar Saskia’s favoriete lotion. Om geen geluid te maken houdt ze haar handen onder een miezerige straal, buigt zich over de wasbak, neemt een slok uit de kraan en laat het water over haar plakkerige gezicht lopen. De kraan piept. Snel draait ze hem dicht.

‘Lara?’

Schrik siddert door haar lijf. Koen is haar gevolgd. Onhoorbaar.

‘Niet schrikken, liefje.’ Hij slaat zijn armen om haar heen. ‘Wat doe je?’

‘Beetje water.’

Ze keert zich naar hem toe en vleit haar hoofd tegen zijn borst. Stil, ineengestrengeld wachten ze op wat komen gaat. Een drup valt uit de kraan.

‘Ze kunnen nu elke moment hier zijn.’ Koen buigt zich wat naar voren en klikt de spiegellamp aan. Zijn warme adem strijkt over haar hoofd.

Elke seconde lijkt zich te vertragen. Lara vraagt zich af hoe laat het is. Achter het raam schuiven flarden wolken voorbij. Er is nog geen spoor van daglicht te bespeuren.

Plotseling voelt ze Koens greep verstrakken. Hij beneemt haar bijna de adem. Verward probeert ze zijn arm weg te duwen.

‘Wat is er? Koen, laat me los.’

Hij staart, zijn ogen opengesperd als in trance, over haar hoofd naar de spiegel achter haar rug. Lara wringt en wrikt, trekt zich los en draait zich om.

Wat het ook is, het is onafwendbaar, beseft ze.

‘Shit, shit, shit.’ Koen wankelt een moment, vliegt de badkamer uit en rent de trap af, alsof zijn leven ervan afhangt.

 

Buiten remt een auto. Portieren slaan dicht, gevolgd door voetstappen op het grindpad. Het dringt niet tot Lara door. Ze ziet wat Koen zag.

Het briefje. Een haastige krabbel, onderaan de spiegel geplakt. Ze leest en leest nog eens.

Niet schrikken. Collega Brian kan zijn huis niet in. Slaapt beneden op de bank. Gaat vroeg weg, hoeft geen ontbijt. Vertel ik later wel. Kus, Sas.  

 

 

Code Rood

Te laat heb ik in de gaten dat het verkeer verderop stil staat. Omkeren is geen optie in deze eenrichting straat. Als ik beter had opgelet, had ik een sluiproute kunnen nemen. Het is onrustig buiten. Een toenemende wind jaagt de bladeren voor mij uit. In de goot hoopt het straatvuil zich op. Ik zet de cd-speler aan. Liedjes van weleer. Muziek onthaast.

Dan komt er stapvoets beweging in de file. Een bouwsteiger neemt de stoep in beslag, waardoor voetgangers de straat op moeten en fietsers alle kanten uitschieten. Een stuk plastic flappert driftig tegen de gevel. Het lawaai van een boor overstemt Ralf Mc Tell ‘s ‘Streets of London.’ Er wordt gewerkt aan een pand dat bouwvallig oogt.

Een vrouw in een nauwe versleten spijkerbroek duwt moeizaam een volgestouwde winkelwagen de stoep af. Ze ziet de Opel met aanhanger niet aankomen. De bestuurder wijkt uit, maar kan niet voorkomen dat de linker bumper tegen een paaltje schampt en de buitenspiegel met een flinke klap een straatlantaarn raakt. Het glas versplintert tot minuscuul gruis. Opnieuw komt de rij tot stilstand. Knarsend en toeterend.

Woedend stormt de automobilist zijn wagen uit. De vrouw laat van schrik de winkelkar los, die doorrolt, tegen de stoeprand aan de overkant botst en omslaat. Blikjes, plastic flessen, dozen en zakken belanden op straat, tussen de ronddwarrelend bladeren.

‘Kijk toch uit, mens?’ tiert de man. ‘Stom wijf. Muts.’

De vrouw heft theatraal haar armen omhoog. Verbouwereerd kijkt ze om zich heen, bukt zich en begint haar spullen op te rapen. Eén voor één mikt ze alles terug in de kar. Het gaat langzaam, alsof ze geen erg heeft in de ergernis, die als een grijze deken boven de straat hangt.

De rij achter mij groeit. Ongeduldige fietsers zoeken een uitweg en een passerende voetganger wijst naar zijn voorhoofd. Ik negeer het smekende getoeter, zet het alarmlicht aan en stap uit. Er kan nu toch niemand meer voor- of achteruit.

Grimmig hoofdschuddend werpt de gedupeerde automobilist een blik op de vrouw, die rood aangelopen naar de overkant sjokt, waar de wind een pak zakdoekjes de goot in heeft gejaagd. De vrouw durft niet op of om te kijken. Denk ik.

Op dat moment komt één van de bouwvakkers van de steiger en loopt op de scheldende chauffeur af. Zodra deze hem aan ziet komen, stopt hij met schreeuwen, richt zich op, armen breeduit langs zijn lijf, alsof hij zeggen wil: Kom maar op.

Ik vrees het ergste en bid dat de troep van de straat is, voor het hanengevecht losbarst. Haastig duw ik de vrouw-met-kar de stoep op, intussen een brood oprapend. Een fietser stapt af en vraagt of hij kan helpen.

‘Rot op, jij,’ schreeuwt de gedupeerde bestuurder. Het is niet duidelijk of hij het tegen de hulpvaardige fietser heeft of tegen de bouwvakker, die met grote stappen op hem afkomt.

De automobilist, in de auto achter die van mij, telefoneert. Anderen stappen uit en kijken nieuwsgierig toe. Spanning hangt in de grauwe lucht. Op de voortjagende wolken na lijkt de wereld tot stilstand gekomen.

Ik zou de politie kunnen bellen, maar mijn telefoon ligt in de auto. Vanaf de stoep kan ik slechts toekijken hoe de boel straks ontploft.

Bouwvakker en chauffeur naderen elkaar. Mijn hart bonkt. Ik houd niet van vechtjassen. Ik moet alarm slaan, dit is code rood. Maar ik doe niets. Ik sta als vastgeroest op de stoep, naast de zacht jammerende vrouw. De man van de Opel doet een stap naar voren, zijn kin omhoog. De bouwvakker komt op hem af en steekt zijn hand uit.

‘Goeiedag meneer. De schade valt mee, zo te zien?’

De verbouwereerde chauffeur staart naar de bouwvakker, kijkt dan om zich heen, alsof hij zich afvraagt of hij de enige is die zich heeft laten verrassen door het onverwachte gebaar en pakt vervolgens de uitgestoken hand aan.

Een zucht ontsnapt me. Goddank, de angel is eruit.

Een slungelige jongen stapt van zijn scooter af. Gedrieën bekijken ze de Opel. De knul buigt de spiegel recht, hoewel er door het versplinterde glas geen barst in te zien is.

De bouwvakker heeft meer in zijn mars, dan slopen. Hij biedt de chauffeur aan de bumper te repareren. De enigszins tot bedaren gekomen man werpt een blik op de vrouw. Van een kale kip valt niet te plukken, zie ik hem denken. Zo te zien laat hij het er maar bij zitten. Hij vist een kaartje uit de zak van zijn colbert, overhandigt dat de bouwvakker, die het bijna achteloos in zijn broekzak laat glijden.

De fietser herkent ineens de scooterknul. Ze slaan elkaar lachend op de schouders.

Terwijl de chauffeur zijn licht beschadigde wagen een zijstraat in manoeuvreert, maant de bouwvakker de wachtenden om door te rijden.

‘Wacht even,’ zeg ik tegen de vrouw, die nog altijd naast me op de stoep staat te bibberen. Mijn auto parkeer ik een stuk verder, op de stoep, zodat het verkeer er langs kan.

‘Even die dame op weg helpen,’ roep ik tegen de bouwvakker, die als een geroutineerde regelaar het verkeer naar zijn hand zet. Als laatste passeert een agent op zijn dienstfiets. Zodra de scooterjongen hem ziet komen, gaat hij er vandoor, de fietser verbluft achterlatend.

Vergeefs strijkt de vrouw haar blonde haren uit het gezicht. De harde wind is meedogenloos.

Wanneer alle auto’s gepasseerd zijn en de vrouw, de winkelwagen voor zich uitduwend, haar weg vervolgt, klimt de bouwvakker de steiger op, alsof er niets gebeurd is.

Een storm in een glas water.

 ‘U hebt de situatie mooi gered.’ Ik loop naar hem toe. Hij grijnst.

‘Ach, mevrouwtje, nog niet zo lang geleden was ik erger dan die kerel van daarnet. Met een superkort lontje en een drie keer zo grote bek, leek ik een vat springstof, dat elk moment kon ontploffen.’ Hij draait zich om.

‘Echt waar. Nog geen jaar geleden had je me niet zo lief aangekeken.’ Hij knipoogt ontwapenend.

‘Wat is er gebeurd? Heeft u de Nobelprijs brandjes-blussen gewonnen?’

’k Heb het af moeten leren. Schade en schande, zogezegd.’ Hij knikt richting de zijstraat waarin de Opel is verdwenen. ‘Ik herken die woede en onmacht maar al te goed, ziet u.’

Snel klimt hij verder, stapt bovenaan de steiger op, zakt op zijn hurken en zet beide handen als een toeter voor zijn mond.

‘Drank maakt alles kapot, ‘roept hij. ‘Ik ben ervan af. Voorgoed. Niet verder vertellen hoor.’

De bulderende lach van zijn collega, die vanuit een raamloos venster toekijkt, davert tegen de gevels. Ik steek mijn duim op. Fluitend hervat de bouwvakker zijn werkzaamheden.

                                                                      

Met een half uur vertraging rijd ik de straat uit en draai de doorgaande route naar de snelweg in.

‘She's no time for talking, she just keeps right on walking.’ Ralf Mc Tell vervolgt zijn lied. Een billboard toont een gelikte foto van de saneringsplannen die deze wijk te wachten staat. Flats zullen plaats maken voor laagbouw en groen.

De auto’s voor me remmen af, als het verkeerslicht op rood springt. Terwijl ik de wagen laat uitrollen, zie ik de vrouw in de wijde mantel weer. Ze staat bij een flatgebouw langs de parallelweg, te morrelen aan de deurklink van een garagebox. Haar winkelwagen valt nauwelijks op tussen het onbeheerst tierende onkruid, de uitpuilende containers en het afval ernaast. Een groot stuk karton danst in de wind.

De vrouw duwt de deur omhoog, trekt de kar naar binnen en komt terug met een lange stok vol haken en ogen. Op haar tenen wiebelend haakt ze de stok aan de klink. Langzaam zakt de deur omlaag. Hoewel het te ver is, verbeeld ik me het geknars van het verroeste staal te horen.

Het licht springt op groen. Ik sluit aan bij mijn voorganger.

‘Let me take you by the hand ad lead you trough te Streets of London, I’ll show you something..’ Er komt geen eind aan het refrein. Ik klik de cd-speler uit en doe de radio aan.

Stukje bij beetje onttrekt de vrouw zich aan mijn oog. Nu pas zie ik de veel te grote regenlaarzen, die ze draagt.

Eindelijk bereik ik de kruising die me naar de snelweg leidt. Mannen in veiligheidshesjes rapen verwaaide takken van de weg. Hun haren staan rechtop in de straffe wind. Grijsgrauwe wolken jagen rusteloos voort.

Ineens voel ik haast. De vrouw verdwijnt naar het verleden. Het nieuws van twaalf uur vult de ruimte.

‘Gedurende de ochtend heeft heel Nederland te maken met zeer zware windstoten tot maximaal 120 kilometer per uur. Met name in de kustgebieden. Daarvoor heeft het KNMI een waarschuwing afgegeven en code rood afgekondigd.’

Het verkeerslicht springt van groen op oranje. Ik trap het gaspedaal stevig in en maak dat ik wegkom.

Voor het rood wordt. 

IJsberen

Zoals elke zondagmiddag nestelt onze vader zich in de rookstoel voor een middagdutje. Zijn jenever staat al koud.

Mijn broer heeft de schaatsen ingevet. Ons zusje knikt hoopvol. Zullen we dan maar?

Ik prevel een schietgebedje en kijk naar buiten, alsof daar onze hulp vandaan komt.

Katholieke jongens en meisjes en mensen die nergens-aan-doen fietsen voorbij. Mutsen op, schaatsen onder de snelbinders. Deze winterdag is een godsgeschenk. We hebben alleen vandaag nog. Jammer dat het zondag is.

 

Schaatsen op zondag is verboden. Zondag wil zeggen: twee keer naar de kerk, niets kopen, niet sporten, geen wereldse zaken behartigen. De zondag dient voor rust en heiliging.

Onze moeder knikt begripvol. ‘Alleen als papa het ook goedvindt.’

Gedrieën binden we de strijd aan met de onwrikbare standpunten die onze vader eerbiedigt. In slagorde naderen we de rookstoel. Hij zit met de rug naar ons toe.

Ik heb het gevoel dat hij op ons wacht. 

‘Pap?’

‘Wij christenen schaatsen niet op zondag.’

‘Maar morgen gaat het dooien.’

Ons bidden en smeken vindt geen gehoor. Met een vermoeid gebaar wuift hij ons weg. We trekken ons terug om te beraadslagen.

‘Papa gunt het ons wel, zeg ik. ‘Maar hij ziet beren op de weg.’

Beren? Zusje vat het niet. ‘Welke beren?’

‘IJsberen,’ zeg ik wijsneuzerig. ‘Papa is bang dat een ouderling het te weten komt. Dan krijgt hij een vermaning.’

‘Wat is dat?’ 

Dat weet ik niet zo goed, maar ik heb dat woord horen fluisteren, toen twee jongens van onze kerk een keer op zondag kranten hadden bezorgd.

‘Als we voorbij de brug het ijs opgaan, ziet niemand ons. Daar woont toevallig niemand van onze kerk,’ bedenkt broer.

Onze vader gelooft niet in toeval. Hij veegt onze argumenten van tafel, zoals Jezus dat deed bij de geldwisselaars in de tempel. 

Mijn broer vloekt zachtjes. Zusjes lip trilt. Ik stampvoet. Godallemachtig, dat prachtige, uitnodigende ijs is toch ook een deel van de schepping?

‘Zou Jezus het nou echt niet goed vinden?’ Vraag ik me hardop af.

‘Jezus? Wacht eens even…’ Mijn zusje is alweer bij onze vader.

‘Papa, wat is eigenlijk het verschil tussen over het water lópen en…

 

In een oogwenk stuiven we ervandoor. Mutsen op en schaatsen om de nek.

‘Voor het donker thuis,’ roept hij nog. We breken records al voor we een schaats gereden hebben. Binnen vijf minuten staan we op de vaart.

Daar kan zelfs Jezus niet tegenop.

De moeder de vrouw (thema boekenweek 2019)

 

Ze is te vroeg. Ik had nog zo gezegd dat ze er pas kwart voor acht hoeft te zijn.

Tussen de kieren in het podiumgordijn zie ik haar op voorste rij plaatsnemen. De kaartjes op de stoelen ziet ze niet. Waarschijnlijk weet ze niet wat gereserveerd betekentIk had het haar moeten vertellen. Niet aan gedacht.

Ik moet naar naar de schminkjuf. Over pakweg drie kwartier zal de hoofdmeester aandacht vragen voor klas zes. We voeren het door hem aangepaste toneelstuk uit: ‘De stille getuige.’

De juf strijkt met een sponsje over mijn wangen. Op de mouw van haar wollen trui is een slordige veeg oranjerode schmink terecht gekomen. Onwillekeurig gaan mijn gedachten naar buiten, naar de schapen met van die gekleurde strepen op hun vacht. Geheime tekens voor de boer. Keurmerken misschien. Dat zouden ze ook bij mensen moeten doen. Blauw voor gewone, rood voor ongewone moeders.

 

Ik had het niet erg gevonden als ze was thuisgebleven. Dat doet ze anders ook, wat de school betreft. Dan hoeft ze niet te zien hoe mijn klasgenoten op het plein met dichtgeknepen neus in een boog om me heen lopen. Ze hoeft hen niet aan te horen als ze stinkdier of piskind schreeuwen. Ze hoeft niet te weten van de bezemkast, waar ik mijn kleren verstop, zodat ik die na de gymles niet uit een wc-pot hoef te vissen.

Laat de school maar aan mij over.

 

‘Ben je zenuwachtig?’ De schminkjuf ruikt naar rozen en viooltjes. Ik wil nee schudden, maar bedenk me. Als ze uitschiet ben ik straks weer het mikpunt van hilariteit bij mijn medespelers. 

Als ik nerveus ben, is dat omdat zij er is.

Ik dagdroom dat juf mijn moeder is, die mijn haren borstelt en brood voor me maakt. Ik stel me haar huis voor dat naar rozen en viooltjes ruikt. Maar als ik dan weer aan de vrouw denk, die daar pontificaal vooraan in de aula zit, schaam ik me. Zij kan het ook niet helpen.

Mijn klasgenoten worden in beslag genomen door het optreden. Ze letten niet op mij. Niemand let op mij, behalve als …Ach nee, laat maar.

Ik had geen pruik thuis. Meester heeft er een opgeduikeld. Die is veel te groot en wordt met elastiek en tape op zijn plek gehouden. Omdat ie over mijn ogen en oren zakt, heb ik weinig schmink nodig.

‘Schuif die lokken maar uit je gezicht als je opkomt,’ zegt juf. ‘Dat past wel bij het personage dat je speelt.’

Personage. Ik heb twee personages toegevoegd,’ zei meester. ‘Dan heeft iedereen een rol.’

Jammer, dacht ik. Ik hoopte stiekem dat ik niet mee hoefde te doen. ‘Ik wil wel helpen met het decor en zo,’ zei ik. Meester luisterde niet eens. Niemand luistert naar mij. Ik heb best wel eens een goed idee, maar het lijkt wel of… Nee, laat maar.

Het andere personage dat meester heeft bedacht is voor Ahmed. Die zit nog maar net op school en kan nog niet goed Nederlands lezen en spreken. Hij speelt een zwijgende schoorsteenveger. Iedereen zal denken, volgens meester, dat hij de getuige is.

Gelukkig heb ik een kleine rol. Drie keer moet ik opkomen, ‘zwijg en sta stil’ roepen en in de slotscène mijn pruik afdoen. Dan word ik ontmaskerd als de stille getuige.

 

Het is zover. Meester is uitgesproken. De gordijnen gaan open. Mijn klasgenoten wachten, tot het hun beurt is om te schitteren. Ik hoef nog lang niet op. Als ze nu maar gewoon doet. Niet gaat gillen of zo. En als het afgelopen is zorg ik als eerste klaar te zijn. Dan trek ik haar mee, zodat we weg zijn voor de anderen er erg in hebben en naar haar wijzen, giechelen en elkaar aanstoten.

 

Ze klapt tè vroeg, tè hard en tè lang. Ze weet niet zo goed wanneer ze moet stoppen.

Als het mijn beurt is een persoonlijk woordje van de hoofdmeester aan te horen, blijft ze goddank gewoon zitten. Ze wrijft vergenoegd in haar handen. Een teken dat ze het naar haar zin heeft. Zo zit ze meestal als ze naar Spangas kijkt, of naar Goede Tijden. Alsof er niets aan de hand is.

Alsof ze niet mijn rare, bijzondere moeder is.  

Het olifantenpaadje

Eeuwen geleden trokken een jongen en een meisje met emmers op hun ruggen door een dichtbegroeid bos en over een uitgestrekte heide. Elke dag haalden ze water uit een beek, mijlenver bij de nederzetting vandaan. Zodra ze het bos uitkwamen pauzeerden ze, aten en dronken wat en keken zuchtend naar de heidevlakte, die ze moesten oversteken en waar maar geen eind aan leek te komen. Daar, op de grens tussen licht en schaduw leek de horizon verder dan ooit.

De terugweg was zwaar. De woeste heide was het gevaarlijkste deel van de tocht. En er mocht geen druppel van het kostbare water verloren gaan. Ze waren jong. Hooguit een jaar of tien. Ze waren ook slim en gaven onderweg hun ogen goed de kost.

Op een dag, ze hadden de emmers gevuld en waren net aan de terugtocht begonnen, zag de jongen afdrukken in de aarde die een spoor leken te vormen en vreemd genoeg onder de struiken door liepen. Omdat de zon in deze dichtbegroeide wereld geen schijn van kans had, bleven de afdrukken enigszins zichtbaar in de modderige aarde. Pootafdrukken van wilde honden, wolven misschien. Dieren die in roedels leefden. Dit moest welhaast een deel van hun route zijn.

De jongen, die een goede speurneus had bekeek het spoor. Een echt pad kon je het niet noemen. Toch was goed te zien dat het van hier naar ergens leidde.

Ze keken elkaar aan. Zullen we?

Boven de heide zinderde de zon. Onder de gevulde emmers kromden hun ruggen. Ze hadden niets dan water te verliezen. Allebei hadden ze het gevoel dat dit paadje op hen had gewacht en daarom waagden ze het erop.

Het was niet gemakkelijk, maar dat ze de heide niet op hoefden, maakte veel goed. Soms moesten ze zich vastgrijpen aan overhangende takken, of er juist onder door kruipen. Dan weer klauterden ze over rotsen en steile hellingen. Pas toen ze het bos uitkwamen en in de verte de contouren van de hutten zagen, drong het tot hen door dat ze een nieuwe weg hadden gevonden.

Een zogenaamd olifantenpaadje.

Vanaf die dag namen de jongen en het meisje dat onaanzienlijke weggetje. Nu de route ingekort was, gingen soms ook broertjes en zusjes mee. Dan verdeelden ze de last of namen voor twee dagen water mee terug. Bij zwaar weer konden ze schuilen. Hagel en bliksem boven de vlakte hoefden ze niet meer te vrezen. Gaandeweg weken de struiken langs het paadje uiteen. Als een erewacht voor de dappere waterdragers. De zon droogde de modder. Het weggetje werd breder. Het olifantenpaadje groeide uit tot een begaanbaar pad.

 

De tijd verstreek. De jongen en het meisje werden volwassen en trokken naar andere oorden. De nederzetting werd een dorp. Met een waterput. Niemand hoefde nog met emmers naar de beek te sjouwen. De struiken bogen zich weer naar elkaar toe. De zon kwam er niet meer aan te pas.

De weg begon weer op een olifantenpaadje te lijken.

 

Op een dag kroop een schaapherder onder het woekerende gebladerte van een krom gegroeide boom. Hij drapeerde zijn mantel over twee takken, zodat hij er onder kon schuilen tegen de striemende regen. Hij had zijn schapen even daarvoor naar de stal gebracht. De hemel kleurde als de nacht. Boven de hei, iets verderop, flitste en donderde het. De man maakte zich klein, vouwde zijn handen en sloot zijn ogen. ‘God bewaar mij.’

Gelukkig wist hij zijn schapen veilig onderdak.

Na een half uur was het noodweer voorbij. De man wrong zijn mantel uit en dankte God. Net voor hij zich wilde omdraaien om in de richting van de heide te lopen, zag hij sporen en voetafdrukken die vanaf de kromme boom een pad leken te vormen. Hij keek nog eens goed en ontdekte dat hier, ergens in vervlogen tijden, dieren hebben gelopen.

En mensen. Kleine mensen. Trollen? Kinderen?

Inmiddels kleurde de hemel licht. Het spoor volgde de richting naar het dorp. Zolang hij de bosrand in het oog hield hoefde hij niet te verdwalen. Nieuwsgierig volgde de man de hoef- en voetafdrukken. Opgelucht dat hij de gevaarlijke heide niet hoefde over te steken.

Voortaan nam de schaapherder het oude olifantenpaadje, wanneer hij terug kwam van de stal. Hier en daar hakte en sneed hij takken af en leidde het spoor langs een rots, zodat hij minder hoefde te klimmen. Het olifantenpaadje bewees opnieuw zijn nut.

Niet veel later waren het pelgrims, handelaren en zelfs stropers die er gebruik van maakten. En weer weken de struiken uiteen. De zon kreeg vrij spel en de modder droogde op. Het paadje werd een pad. Het pad werd een straat voor voetgangers, rijtuigen en wagens die door ezels en paarden werden getrokken. Er ontstond handel en wandel. Het bos werd een stad, waar kooplieden elkaar ontmoetten om hun goederen te verhandelen. Hun karren kropen langs de hellingen. De straat werd een plein, het centrum van de nieuwe metropool.

 

Elke dag bewegen inwoners en bezoekers zich, zonder dat te beseffen, over het oude olifantenpaadje. Elke dag dwalen duizenden mensen in de uitgesleten voet- en hoefsporen van mens en dier. De drooggevallen beek wordt een toeristische fietsroute.

De speurzin van de jongen en het meisje zijn vergeten, net als de moed van de schaapherder.

 

Om de oude route te veranderen, zoals die waterdragers en de schaapsherder, honderden jaren geleden, worden ook wij uitgedaagd om nieuwe wegen te creëren. Net als zij moeten wij onze ogen de kost geven. Onze speurzin aanwakkeren. Om het levende water te bereiken.

Om verouderde onbegaanbare wegen, diep gesneden in onze gedachten, te begraven.

Om te durven en te beseffen. Om los te komen van vastgeroeste angsten.

Om tijd te overstijgen en de sprong te maken. Om rotsen te trotseren en hellingen te beklimmen.

Om je geest te transformeren. En vrij te zijn. Om jezelf weer leven in te blazen.

Om te doen wat anderen nog niet hebben gedaan.

Om de weg vrij te maken van alle rotsblokken en takken, die ons het zicht hadden ontnomen.

Om een nieuw olifantenpad te creëren.

                                                                                                         

Berend

Langzaam rijd ik over het parkeerterrein op zoek naar een plek voor mijn auto. Berend staat al bij de ingang. Ik had hem bijna niet herkend. In plaats van zijn onafscheidelijke legercoat, hangt er nu een te grote leren jas om zijn schouders.

 

Ruim drie jaar geleden ontmoette ik hem, toen hij tierend en scheldend de trap op stampte met zijn bemodderde legerlaarzen. Een collega wierp me een medelijdende blik toe, opgelucht dat de man niet op haar afprakenlijst stond.

‘Klop maar op de wand als er iets is,’ zei ze.

Dreigend stond hij in de deuropening en schreeuwde dat hij hier niets te zoeken had, dat niet hij, maar zijn casemanager gestoord was en dat hij niet van plan was om ook maar ergens aan mee te werken. Hij was kapot, zijn rug was de vernieling in geholpen door werkgevers die niet wisten hoe ze hun personeel fatsoenlijk moesten behandelen. En nu zijn vrouw de benen had genomen en hij zijn dochtertje niet meer zag, had hij meer dan genoeg aan zijn hoofd. De grofgebekte man negeerde mijn uitgestoken hand en schopte de stoel, die ik hem aanbood, ondersteboven.

‘Koffie?’ vroeg ik.

Zonder zijn antwoord af te wachten zette ik de stoel recht en liep naar de kantine. Het liefst schonk ik mezelf een glas wijn in.

‘Een lastpak,’ schamperde een werkbegeleider, die bezig was een cliënt te leren hoe de stoomreiniger werkte.

‘Zal ik koffie maken?’

Ik wimpelde het aanbod af. Het gaf me tijd om na te denken. Terwijl de koffie door het filter druppelde vroeg ik me af wat er allemaal moet zijn misgegaan in het leven van deze klant, nu hij op de eisen die aan hem gesteld worden niet anders weet te reageren dan bij voorbaat volop in de aanval te gaan.

Tegen mijn verwachting in wachtte hij in het kleine kantoor. Hij was zelfs gaan zitten en keek wantrouwend om zich heen. Op mijn vragen gaf hij geen antwoorden. We dronken de koffie.

Niks intake, niks begeleidingsbehoefte, niks 'wat is je doel?'

Berend had maar één wens: met rust gelaten worden.

 

Ik dacht hem niet meer terug te zien, maar zijn casemanager had hem in de tang. Berend kon zich een fikse korting op zijn uitkering niet veroorloven en stampvoette drie weken later de groepsruimte binnen, waar ik een stel wajongers probeerde het solliciteren onder de knie te krijgen.

Het lukte me hem in de kantine te stallen. Na de training was de pauze net begonnen. Berend hield zich afzijdig en had zijn vuil gelaarsde voeten op de verwarming gelegd.

Langs de weg van de geleidelijkheid leerde ik hem kennen. En hij mij. Pas nadat ik bij zijn casemanager verlenging van de eerste reïntegratie-fase had weten te bepleiten bespeurde ik een sprankje vertrouwen bij deze kwetsbare mens, wiens kinderleven een aaneenschakeling van dreiging en geweld was geweest. De man die als kind zijn vader adoreerde, al verbleef deze meestal in een huis van bewaring en die zijn moeder haatte om de mannen die ze in huis haalde en hem te grazen namen.

Niet dat hij dat allemaal vertelde, daar was Berend niet toe in staat. Het was zijn stiefzus die een keer mee kwam en in een paar zinnen Berends wanhopige en troosteloze leven schetste.

En nu, na een mislukte poging in de groenvoorziening, waar hij de voorman met een spa te lijf had willen gaan, na een fikse ruzie met de technicus in een ziekenhuis en na weggestuurd te zijn bij de afvalverwerking omdat hij koper stal, nu ontmoeten we elkaar in het zorgcentrum waar Berend is aangenomen als hul conciërge. Na een pittige laatste-kans-training.

 

Vandaag is zijn eerste werkdag. Over een kwartier begint zijn dienst.

‘Iedereen heeft hier belang bij,’ stelt Berend, als we naar de recreatieruimte lopen.

‘De directeur hier, die wil scoren met zieligerds zoals ik. De conciërge, die bijna met pensioen gaat en mij nu de rotklussen kan geven. Zelf ben ik mooi van die klotemanager af en jij moet natuurlijk je target halen, dus jij ook.’ Hij grijnst.

‘Maar omaatje heeft het meeste belang.’

Omaatje?

‘Die zat ook in de sollicitatiecommissie en deed me zo aan mijn eigen opoe denken, dat ik ter plekke ontdooide. Ik heb haar na dat gesprek opgezocht en gezegd dat ze me overal voor mag bellen, zelfs midden in de nacht. Voor omaatje doe ik alles.’

We vinden een plek in de serre.

‘Koffie?’

Hij wacht mijn antwoord niet af en stampt naar het buffet. Hij heeft zelfs zijn laarzen gepoetst. 

Binnenstebuiten of buitenstebinnen

In Holland staat een huis. Huis van bewaring, penitentiaire inrichting of gevangenis. Met namen als Schutterswei, Westflinge, De Eenhoorn, in de volksmond Glasbak genoemd, omdat het veel ramen heeft. Zodat je naar buiten kunt kijken. Zodat buiten binnen komt of binnen buiten. Net hoe je het ziet. Een binnenste-buitenhuis.

 Onder supervisie van een gevangenispsycholoog voer ik enkele studieopdrachten uit binnen de muren van zo’n huis van justitie. Daar ontmoet ik Ramona, een vrouw in het laatste stadium van haar detentie. Binnenkort komt ze vrij en daar heeft ze het moeilijk mee. Hier, in de vrouwenvleugel, heeft ze haar "familie" gevonden. Voor het eerst in haar leven hoort ze ergens bij. Hoe dichter bij de vrijheid hoe wanhopiger Ramona wordt. Buiten is eng, binnen is veilig.

Op mijn vraag waar ze woont, wijst ze om zich heen. 'Dit is mijn huis.'

Binnenste-binnen, zo wil Ramona het graag.

 

Bas is een andere gedetineerde die deelneemt aan de opdracht. Hij zit een jarenlange straf uit en bevestigt dat er veel te leren valt voor hem. Overlevingstechnieken bijvoorbeeld. Bas denkt die hard nodig te hebben bij zijn terugkeer in een samenleving, die hem uitkotst. Zijn harde blik ontwijkt die van mij.

Op mijn vraag of hij op de één of ander manier wijzer is geworden gedurende zijn gedwongen verblijf hier, schudt hij zijn hoofd. 'Niet veel opgestoken,' zegt hij. 'Hoe langer ik hier ben, hoe zorgelijker het wordt. Helemaal als er weer eentje terug komt. Soms al binnen een maand. Op een dag is het licht uit hun ogen wel verdwenen, geloof me.' Bas zucht. 

'Iedereen hier is van plan nooit meer terug te keren en ik hoop steeds dat hen dat gaat lukken.'

De dertiger staart naar de getraliede vensters. Een bundel zonlicht beweegt stoffig boven onze hoofden.

'Als anderen het kunnen, kan ik het ook,' mompelt hij. 'Maar als de zoveelste terug keert word ik bang. Zo'n toekomst zie ik niet zitten, voor mezelf.'  Dan kijkt hij me aan. 'Maar waarom zou het mij anders vergaan?'

Ik doe er het zwijgen toe. Bas komt zelf met het antwoord.

'Een dak boven m'n hoofd en een baan. Dan zie je me hier nooit meer terug.'

Even later zie ik hem gaan, op weg naar zijn cel, met zijn péwé’er.

Zijn buitenste-binnenrelaas gonst na in mijn hoofd. Dan draait hij zich om. Grijnst.

'En een vrouw,'  roept hij. 'En misschien ook nog een kind.' 

Als ik naar huis fietst zingt dat liedje in mijn gedachten.

In Holland staat een huis.                                     

Sprakeloos

Sinds een week zwijgt mijnheer Schillinger.

‘Wilt u koffie?’ vraagt de gastvrouw van de soos. Mijnheer Schillinger knikt. Vriendelijk.

‘Kunt u opstaan?’ vraagt de fysiotherapeut. Mijnheer Schillinger komt, steunend op zijn handen, overeind. Zijn arts kan in het dossier niets vinden dat naar afasie of een woordvindprobleem wijst. ‘Kunnen we even praten?’ vraagt hij. Mijnheer Schillinger wendt zijn hoofd af. Bedroeft.

 

Ooit vertelde hij verhalen. Aan buurtkinderen, aan verjaardagsvisites, aan bridgevrienden en aan ieder die het wilde horen. Verhalen met ingebouwde moppen over Sam en Moos, waardoor hij, ondanks zijn licht Duitse accent, de indruk wekte een rasechte Mokumer te zijn. Met zijn vrouw deelde hij behalve een kleine woning in een volkswijk, ook het verdriet om hun onvervulde kinderwens. Waardig en stil.

Het leven van de Schillingers lijkt pas halverwege de jaren veertig te zijn begonnen. Alsof het paar bevrijdt was van wat een liefdevol, onbekommerd samenleven in de weg had gestaan. Hun geheimen bewaarden zij zorgvuldig. Glimlachend, met een zweem van pijn in hun ogen. Wanneer iemand er voorzichtig over begon zag mijnheer Schillinger kans het gesprek, met een kwinkslag, een andere wending te geven, waarop steevast een verrassende anekdote volgde. Zijn luisteraars hingen aan zijn lippen en stelden geen vragen meer. Mijnheer Schillinger bleek een geboren verteller te zijn. Tot mevrouw Schillinger ziek werd.

Toegewijd verzorgde hij haar tot het eind. Tijdens de begrafenisplechtigheid waren het de buurtkinderen die zijn verhalen vertelden, inclusief Sam en Moos, zodat er ook gelachen werd.

 

Verdrietig trok mijnheer Schillinger zich terug. Uitgeteld en uitvertelt.

Op de eerste verjaardag, zonder zijn vrouw, gaf de visite hem een puppy. Samen wandelden ze dagelijks naar de begraafplaats waar hij, gezeten op een boomstronk, eerst onwennig, gaandeweg als vanouds, haar zijn verhalen vertelde. Het verdriet bleef. De humor keerde terug.

 

Op een dag gleed hij uit en brak zijn heup. Het gemis van de wandelingen naar zijn vrouw deed het meest pijn, tot de buren hem elke zaterdag naar de begraafplaats duwden, terwijl de hond uitgelaten van plezier om de rolstoel rende.

Na zijn revalidatie verruilde mijnheer Schillinger de bridgeclub voor de ouderensoos. Als afscheidscadeau kreeg hij een zilverglanzende rollator, die hij op de begraafplaats tegen de grafsteen parkeerde en daarmee de boomstronk overbodig maakte. Dichter bij haar kon hij niet komen.

Mijnheer Schillinger begon weer verhalen te vertellen. Aan zijn soosgenoten, buren, de verjaardagsvisite en wie het maar horen wilde. Verhalen over zijn vrouw, haar Oudhollandse poppenverzameling, hoe ze sprak, zong en lachtte en over danslessen waar ze langgeleden schoorvoetend aan begonnen. Verhalen zonder Sam en Moos. Verhalen met humor.

Tot een week geleden.

 

Terwijl hij het graf van zijn vrouw naderde werd zijn hond onrustig. Even later bespeurde mijnheer Schillinger de uitgerukte planten, de bemodderde zerk, de vieze stronk en de scheefgetrokken steen, die uit het lood stond. Maar wat hem het hardst trof en hem voorgoed sprakeloos maakte, waren de letters, in lelijk roestbruin op de steen gekalkt. Drie letters.

Vanaf dat moment heeft mijnheer Schillinger niets meer te zeggen.