Lammyskrabbels.nl

Verhalen en Columns

Ooit een normaal mens ontmoet?

Ik moest aan die spiegelende affiche denken van Pandora, de stichting die  in de zeventiger jaren het beeld over de psychiatrie positief wilde beïnvloeden. De poster hing op de deur van de wc toen ik op kamers woonde. Keek ik ernaar, dan zag ik mezelf, licht verkreukeld omringd met een kronkel van Simon Carmiggelt. Ooit een normaal mens ontmoet?

En…, beviel het?

 

Misschien zei ik daarom te snel ja, toen ik benaderd werd voor deze column.

Achteraf kreeg ik mijn bedenkingen, toen ik besefte hoe abnormaal het begrip normaal eigenlijk is.

Ten eerste gaat het in de media nergens anders meer over dan oud en nieuw normaal en is daarmee het gras al voor mijn voeten weggemaaid. Ten tweede vraag ik me af hoe normaal het woord zelf is. Ik bedoel, het is niet eens een zelfstandig naamwoord. Waar hebben we het eigenlijk over?

 

Het is al zaterdag. Ik haast me door de supermarkt. Immers, er staat nog geen letter op papier.

Terwijl ik met mijn mandje boodschappen richting snelkassa loop, bliept mijn telefoon. Of ik shampoo mee wil nemen, appt manlief. Ja, zo schiet het niet op.

Terwijl ik de shampoo in het mandje leg, dringt het tot me door waarom ze bij de engel van Hoorn dit onderwerp hebben gekozen. Normaal gaat er immers uit? Het kan nu nog, zullen de engelmensen gedacht hebben. Andrelon begon er al mee: de shampoo voor normaal haar gaat uit het assortiment.

 

Thuis kruip ik onmiddellijk achter mijn pc. Eerst maar eens  op normaal googelen.

Normaal is volgens de regels, lees ik op de site van Van Dale. Ofwel: Normaal is gewoon.

Vervolgens stuit ik op een artikel uit 2013 waarin ene Robert Bridgeman vaststelt dat iets pas normaal wordt gevonden als er genoeg mensen zijn die dat iets doen, of juist niet doen.

Met andere woorden: In de file staan is normaal, want iedereen doet het.

Maar een boek lezen in de trein? Dat is toch niet normaal meer? Wie doet dat nog?

 

Nou, ik wel.

Maar ik ben dan ook geen normaal mens. Ik heb van die rare gewoontes, die ze ook wel tics noemen. Nu willen jullie natuurlijk weten welke dat zijn, maar het voert te ver om hier een opsomming te doen.

Vooruit, eentje wil ik wel met jullie delen. Zo’n tic die me dwars zit bij het schrijven van een column als deze, waarbij ik de neiging om tot een mooi afgerond aantal woorden te komen niet kan weerstaan. Vijfhonderdzevenenzestig mag niet van mezelf. Liever vijfhonderdvijftig of zeshonderd.

Dat vind ik mooier. Vraag me niet waarom.

En dan maar schaven en schrappen tot  het aantal woorden juist voelt.

Zeg nou zelf. Dat is toch niet normaal? Dat is gewoon raar.

 

Of moet ik het zien zoals juf Ank uit “De Luizenmoeder” het  zegt: Dat vinden wij niet raar, dat vinden wij bijzonder.

Ik zei toch al dat normaal niet bestaat. Normaal heeft niets van zichzelf, je kunt er geen de, het of een voorzetten, laat staan onderverdelen in iets ouds en iets nieuws.

Het normale bestaat slechts bij de gratie van het bijzondere.

Om Vincent van Gogh te citeren:

Normaliteit is een geplaveide weg. Aangenaam om op te lopen. Maar er groeien geen bloemen.

 

Spreek de kronkel van Simon Carmiggelt maar eens hardop uit, terwijl je in de spiegel kijkt,

Ooit een normaal mens ontmoet?

 

En…bevalt het? 

Waar is het feestje?

Onlangs zat ik op een muurtje bij de ingang van het ziekenhuis te wachten op Koos, mijn man. Hoewel het de Stille Week was, leek Pasen verder weg dan ooit.

Iets verderop trok een groepje, een familie zo te zien, mijn aandacht. Niet door luidruchtigheid, maar juist door hun zwijgen. Een sfeer van triestheid hing om hen heen. Ze staarden voor zich uit, keken naar de lucht, naar de draaideuren van het ziekenhuis of tuurden op een telefoonscherm.

Misschien hadden ze verdrietig nieuws te verwerken. Of ze wachtten gespannen op een uitslag.

Of (en dan gaat mijn schrijfinstinct met me aan de loop) de strenge coronamaatregelen staan gezamenlijk afscheid nemen van hun dierbare in de weg.

Of ze zijn van plan hem/haar, tegen alle adviezen in, gewoon mee naar huis te nemen.

Wie heeft eigenlijk de meeste zeggenschap over de patiënt?

Een gevoel van schaamte bekroop mij.

Ik boog me over mijn telefoon-scherm om mijn nieuwsgierigheid te verbloemen. Toch zag ik vanuit mijn ooghoeken een klein meisje recht op het groepje afkomen. Ze hield een rode ballon vast.

Hier is het feestje stond erop.  Oeps, veel te vrolijk voor het treurende gezelschap. Als dat maar goed gaat.  

De familie kwam in beweging. Een man tilde het meisje op zijn schouders. Lachend strekte een vrouw haar handen naar haar uit. Iemand riep iets, een ander reageerde. Ik geloof dat ik ook Poolse woorden hoorde.

Voorbijgangers keken toe, een auto claxonneerde, het meisje gaf de ballon aan de vrouw.

Het was alsof er een wind opstak.

 

Terwijl Koos en ik wegreden (de claxon was voor mij bedoeld) zag ik hen naar de ingang lopen.

De ballon als een mascotte voorop.   

Pasen was nog steeds ver weg. Maar Pinksteren was dichterbij dan ooit.

Hier is het feestje. 

De stille getuige

Ze is te vroeg. Ik had nog zo gezegd dat ze er pas kwart voor acht hoeft te zijn.

Tussen de kieren in het podiumgordijn zie ik haar op voorste rij plaatsnemen. De kaartjes op de stoelen ziet ze niet. Waarschijnlijk weet ze niet wat gereserveerd  betekent.

Ik had het haar moeten vertellen. Niet aan gedacht.

Ik moet naar naar de schminkjuf. Over pakweg drie kwartier zal onze meester aandacht vragen voor groep acht. We voeren het door hem aangepaste toneelstuk uit: ‘De stille getuige.’ 

De juf strijkt met een sponsje over mijn wangen. Op de mouw van haar wollen trui is een slordige veeg oranjerode schmink terecht gekomen. Onwillekeurig gaan mijn gedachten naar buiten, naar de schapen met van die gekleurde strepen op hun vacht. Geheime tekens voor de boer. Keurmerken misschien.

Dat zouden ze ook bij mensen moeten doen. Blauw voor gewone, rood voor ongewone moeders.

 

Ik had het niet erg gevonden als mijn moeder was thuisgebleven. Dat doet ze anders ook, wat de school betreft. Dan hoeft ze niet te zien hoe mijn klasgenoten op het plein met dichtgeknepen neus in een boog om me heen lopen. Ze hoeft hen niet aan te horen als ze stinkdier of piskind schreeuwen. Ze hoeft niet te weten van de bezemkast, waar ik mijn kleren verstop, zodat ik die na de gymles niet uit een wc-pot hoef te vissen.

Laat de school maar aan mij over.  

 

‘Ben je zenuwachtig?’ De schminkjuf ruikt naar rozen en viooltjes. Ik wil nee schudden, maar bedenk me. Als ze uitschiet ben ik weer het mikpunt.

Als ik nerveus ben, is dat omdat mijn moeder er al is.   

Ik stel me voor dat juf mijn moeder is. Dat zij mijn haren borstelt en brood voor me maakt. Ik stel me haar huis voor dat naar rozen en viooltjes ruikt.  Maar als ik dan weer aan de vrouw denk, die daar pontificaal vooraan in de aula zit, schaam ik me. Zij kan het ook niet helpen.

Mijn klasgenoten worden in beslag genomen door het optreden. Ze letten niet op mij. Niemand let op mij, behalve als …Ach nee, laat maar.

Ik had geen pruik thuis. Meester heeft er een opgeduikeld. Die is veel te groot en wordt met elastiek en tape op zijn plek gehouden. Omdat ie over mijn ogen en oren zakt, heb ik weinig schmink nodig.

‘Schuif die lokken maar uit je gezicht als je opkomt,’ zegt juf. ‘Dat past wel bij het personage dat je speelt.’

Personage. ‘Een toneelfiguur,’ zei meester. ‘Iemand die bedacht is door de schrijver van het verhaal.’

Soms denk ik dat ik ook bedacht ben. 

Ik heb twee personages toegevoegd,’ zei meester. ‘Dan heeft iedereen een rol.’

Jammer, dacht ik. Ik hoopte stiekem dat ik niet mee hoefde te doen. ‘Ik wil wel helpen met het decor en zo,’ zei ik. Meester luisterde niet eens. Niemand luistert naar mij. Ik heb best wel eens een goed idee, maar het lijkt wel of… Nee, laat maar.

Het andere personage dat meester heeft bedacht is voor Ahmed. Die zit nog maar net op school en moet de taal nog leren. Hij speelt een zwijgende schoorsteenveger. Iedereen zal denken dat hij de getuige is, denkt meester.

Gelukkig heb ik een kleine rol. Drie keer moet ik opkomen, ‘zwijg en sta stil’ roepen en in de slotscène mijn pruik afdoen. Dan word ik ontmaskerd als de stille getuige. 

 

Het is zover. Meester is klaar met zijn welkompraatje. De gordijnen gaan open. Mijn klasgenoten wachten, tot het hun beurt is om te schitteren.  Ik hoef nog lang niet op. Als  mijn moeder nu maar gewoon doet. Niet gaat gillen of zo. Dan kan het nog goed komen. En als we klaar zijn zorg ik er wel voor dat ik als eerste omgekleed en weer mezelf ben. Dan trek ik haar mee, zodat we weg zijn voor de anderen er erg in hebben en naar haar wijzen, giechelen en elkaar aanstoten.

 

Ze klapt te vroeg, te hard en te lang.  Mijn moeder weet niet zo goed wanneer ze moet stoppen.

Als het mijn beurt is een persoonlijk woordje van de hoofdmeester aan te horen, blijft ze goddank gewoon zitten.  Ze wrijft vergenoegd in haar handen. Een teken dat ze het naar haar zin heeft.

Zo zit ze meestal als ze naar Spangas kijkt, of naar Goede Tijden. Alsof er niets aan de hand is.

Alsof ze niet mijn rare, bijzondere moeder is.

Kerstverhaal

Een goede buur                                                                                                     

 

Als Frans Zomers naar buiten komt en naar de  grauwgrijze lucht kijkt, stapt hij onmiddellijk in zijn laarzen en trekt de capuchon over zijn hoofd. De hemel belooft een heleboel regen. Als de wiedeweerga moet hij het losgeraakte zeil op de kippenren vastzetten, zodat de dieren droog blijven. Intussen wordt het al drukker op de dijk, zoals elk jaar op deze avond. Hij hoopt maar dat het voorbijtrekkende volk hem met rust laat. Op hun goedbedoelde aansporingen zit hij niet te wachten. Hoofdschuddend ziet hij  hen voorbijkomen. Met z’n allen op weg naar de kerk.

Allemaal, behalve hij.

Intussen regent het bakstenen. Als het zeil vastzit, loopt hij met zijn zaklamp de dijk op om een blik op de duistere uiterwaarden te werpen. Binnen enkele uren staat het hier blank, beseft hij.

Het is donkerder dan donker. In de verte luiden klokken. De regen tikt nadrukkelijk op zijn cape, als een kind dat aandacht opeist.

Frans huivert. Voortmaken moet hij, wil hij de detective op het tweede net niet missen. Binnen  wachten een knetterend haardvuur, zijn luie stoel en een goed glas wijn.

Kerst kan hem gestolen worden.

 

Toch is Frans een gelovig christen. Opgegroeid met de Bijbel, houdt hij de tien geboden in ere, bidt dagelijks en bezoekt kerkdiensten, behalve met Kerst.  Eind december schuilt hij in zijn eigen bubbel. Kerst past hem niet, smaakt hem niet, doet hem niets.

Dat God zich vermomd heeft als een armoedig kind wil er bij  hem niet in. Een door godgeleerden bedacht sprookje, om het evangelie naar hun hand te zetten. Een verzinsel waaraan elke logica ontbreekt. Waarom zou de Almachtige zich verlagen tot een nietig schepsel in een stinkende stal met beesten?

In een leven na de dood gelooft  hij wél. De natuur is voor hem het levende bewijs.

Met Pasen kan Frans dan ook beter uit de voeten dan met Kerst.

 

Zijn aandacht wordt getrokken door  schimmen onderaan de dijk. Hij knipt de zaklamp aan.

Tussen de greppel en het drassige achterland staat een stel schapen met hun poten in de modder. Ontsnapt uit het land van buurman Harmsen. Geen mens in de wijde omtrek die hen te hulp schiet.

Niemand, behalve hij. 

Maar hoe krijgt hij die dolende beesten in hemelsnaam op het goede pad? Een hek slopen en een loopplank improviseren? De sukkels stuk voor stuk met een touw door de greppel sleuren? De politie bellen? Jan en alleman zit in de kerk. Hoelang duurt zo’n dienst wel niet?

Angstig blatend drommen de schapen bijeen. Hun hoeven zakken weg in de zompige aarde.  

Frans springt over de greppel, grijpt een vacht, trekt, schreeuwt, dreigt en smeekt…

De beesten verzetten geen poot.

Zijn capuchon glijdt af. Hemelwater druipt langs zijn nek. Achterdochtig loert hij naar de ongelukkige dieren, zich afvragend of ze wel beseffen wat hem bezielt. Het valt om de drommel niet mee om hun reddende engel te zijn.

Schaapachtig staren ze terug.

 

Maar wacht. Een ingeving. Hij rent naar de molen, keert even later terug met een kruiwagen vol gevulde meelzakken, smijt die in de greppel, stapelt en schuift ze naast en op elkaar en stampt er opgewonden overheen.

‘Gelukt,’ roept hij. ‘Nu jullie. Kom op, lópen…’ Opnieuw duwt hij tegen schapenkonten.

Ze durven niet. Geloven het niet. Vertrouwen hem niet.

Hun wanhopig blaten beroert hem meer dan hij wil toegeven. Maar aan medelijden doet  Frans niet.  Deernis leidt tot verlamming. Hij handelt liever. Redden zal hij. Tegen de tijd dat ze veilig staan, zal die onzalige kerkdienst wel een keer afgelopen zijn.

Frans wil gewoon een goede buur zijn.

Na een tijdje vruchteloos zwoegen, beseft hij dat hij niets bereikt. De boer moet erbij komen. Er zit helaas niets anders op dan dat hij zich onverwijld ter kerke begeeft.

Vanavond moet Frans Zomers er aan geloven.  

 

De koster heeft aan een paar woorden genoeg. ‘Wacht hier,’ zegt ze. ‘Ik ga hem halen.’

Orgelspel vergezelt haar. Nu zijt wellekome… Behoedzaam sluit ze de deur tussen het voorportaal en de kerkzaal en begeeft zich naar de plek waar Harmsen zit te dommelen.

De kerkgangers zitten met hun ruggen naar hem toe. Door de getinte ruitjes in de deur verschieten hun hoofden van kleur. Grijze haren hebben een paarse gloed, blonde lokken ogen groen. Het licht van een kroonluchter weerkaatst in de glimmende kruin van een ouderling.

De koster komt terug. Met de buurman.

 

Frans is goed en wel terug op de dijk, als hij Harmsen ziet aankomen. Hij heeft een schaap bij zich en leidt het dier met zachte dwang naar de greppel en vervolgens over de meelzakken heen en terug. Alsof het niets is. De bange schapen volgen een voor een.

Frans weet niet wat hij ziet. ‘Heb je dat beest gehypnotiseerd?’

Terwijl ze de kleine kudde naar de boerderij voeren, bedankt Harmsen hem.

‘Weet je wat het is,’ zegt hij. ‘Je had niets kunnen uitrichten, net zomin als ik dat in mijn eentje had gekund. Als jij zelf een schaap was geweest, waren ze jou wel gevolgd. Alleen zo had je hen kunnen redden.’

Frans luistert.

Harmsen werpt een steelse blik op zijn buurman. ‘Zeg nou zelf, buur, als jij in de problemen zit, wend jij je toch ook tot iemand die is als jij?’  Hij glimlacht. ‘Welnu, zo is het ook met mijn schapen.

Snap je?’

 

Met een glas wijn staat Frans voor het raam in zijn woonkamer. De detective heeft hij gemist.  Harmsens woorden blijven rondzingen.

Het regent niet meer. Een milde wind drijft de wolken uiteen. In het oosten licht een ster op.

Stilaan begint het hem te dagen. Hij heft het glas naar zijn spiegelbeeld.

‘Ja,’ mompelt hij, ‘Ik geloof dat ik het snap.’   

 

 

 

 

 

 

 

Schrikkeldag 2020

Op zaterdagmiddag 29 februari 2020 presenteerde ik Vergiskind, mijn debuutroman in de salon van de centrale bibliotheek in Hoorn. Ruim zeventig gasten, familie, vrienden, collega-schrijvers en andere bekenden, waren daarbij aanwezig. 

Kinderboekenschrijver en dichter André Nuijens was onze gastspreker. 

 

Wat we die dag nog niet wisten - er waren alleen wat geruchten uit landen ver van ons bed - is dat een nieuw, onbekend virus zich een weg zocht over zo ongeveer de hele wereld. Twaalf dagen later werden de eerste maatregelen bekend gemaakt. Maatregelen die leidden naar de "intelligente lockdown."  

Voor velen hield dat een drastische wijziging in wat wonen en werken betreft. Voor mij als kersverse auteur viel dat nogal mee.

Weliswaar werden alle signeersessies en uitnodigingen voor interviews en lezersbijeenkomsten geannuleerd, wat het schrijven zelf betreft, bleef alles bij het oude.

Dacht ik.

Dan maar wat eerder beginnen aan het volgende manuscript, dacht ik. En deed ik. 

Tot ik het mij na zeven hoofdstukken begon te dagen: dit leidde niet naar het verhaal dat ik in gedachten had. Tijdens het schrijven bekroop me steeds vaker het gevoel dat ik met iets bezig was, dat je "water naar de zee dragen" zou kunnen noemen. 

 

Ik stopte met dat proces. Schreef een paar verhalen en herschreef een paar oudere verhalen. Schreef columns en deed nieuwe en uitgebreidere research voor het manuscript. Ik breidde mijn leestijd uit en las boeken in uiteenlopende stijlen. 

De vakantie over de grens werd overgeboekt naar 2021. Daarvoor in de plaats volgde een wandelavontuur in Drenthe. 

En daarna was ik klaar voor een hernieuwde start van het verhaal dat ik in mijn hoofd heb.

Met tien hoofdstukken is de kop er inmiddels af. Het verhaal verkeerd nog in de eerste fase, maar het voelt wel als een goed begin. 

 

En Vergiskind?

Er volgden enkele verrassende recensies. Het boek is te leen in de bibliotheken, te horen als Luisterboek en te lezen als E-book.

Met dank aan mijn uitgever Godijn Publishing. 

 

 

 

Vergiskind

   in Fictie door 


De bizarre vondst van een baby in een drukbezocht park staat centraal in Vergiskind. Vergiskind is weliswaar een roman, het verhaal is echter gebaseerd op waargebeurde feiten. Het park, waar de baby wordt gevonden, wordt normaliter bevolkt door allerlei mensen. Een aantal van deze parkbezoekers passeert de revue in dit debuut van Lammy Vriesinga.

Vergiskind is het romandebuut van Lammy Vriesinga en daar mag de bewondering beginnen. Het is niet al teveel auteurs gegeven direct met een debuut zo’n indruk te maken. Haar schrijfkilometers maakte ze weliswaar met haar korte verhalen die werden gepubliceerd in diverse verhalenbundels, maar het schrijven van een roman is toch van een andere orde.

“In zijn glas roerend volgt Carlos haar bewegingen. Marijes woorden landen overal en nergens. Als grindsteentjes op het tuinpad.”

Met de mysterieuze vondst van de baby als centraal thema wordt de lezer geconfronteerd met diverse personages. Mensen die het park met regelmaat bezoeken. De lezer leert hen gaandeweg kennen en leeft met hen mee. Het veroorzaakt bovendien een veelvoud aan verhaallijnen. Dat klinkt wellicht verwarrend, maar is het niet. Sterker nog, al deze ‘ingrediënten’ maken Vergiskind tot een zeer boeiend geheel.

“Bang voor zijn wispelturige moeder, die hem kon opeisen al naar gelang het haar uitkwam. Bang voor de ravage die haar opeenvolgende partners achterlieten. Bang voor wat hem kon overkomen. Hij schudt de herinnering van zich af. Zijn aandacht wordt naar buiten getrokken.”

Het mag duidelijk zijn dat een verhaal met verschillende verhaallijnen en personages, enige concentratie behoeft, maar het is die moeite meer dan waard. Vriensinga ziet, geholpen daar een zeer fijne, beeldende schrijfstijl, uiteindelijk lijnen en personages op intelligente wijze bijeen te brengen. Haar personages weet zij overigens prima te karakteriseren, goed gedoseerd en conform hun rol in het geheel.

Kortom, Vergiskind is een knap debuut en het is te hopen dat er nog veel boeken van deze auteur verschijnen.

 

Over de auteur

Lammy Vriesinga woont met haar man in Wognum. Tot voor kort werkte ze als trainer bij de GGZ. Daarnaast is ze op vrijwillige basis werkzaam bij stichting De Engel van Hoorn, zingt ze in koren en zorgt ze regelmatig voor haar vijf kleinkinderen.

In het verleden won Vriesinga diverse prijzen met schrijfwedstrijden. Ze schrijft verhalen, columns, soms poëzie en heeft meegewerkt aan de verhalenbundels Het GebaarRivierstenen en Vijfentwintig obsessies. Nu haar werkzaamheden worden afgebouwd, wil Vriesinga haar schrijfactiviteiten uitbreiden.

Schrijven is in de loop der jaren uitgegroeid tot meer dan een uit de hand gelopen hobby.

Passie is een beter woord. Of zoals Vriesinga het zelf zegt: Spreken is zilver, Schrijven is goud.

 

Uitvoering Uitgeverij Godijn Publishing - ISBN: 9789493157323 - Paperback, 368 pagina’s

 

Over Hanneke Tinor-Centi

Hanneke Tinor-Centi (1960), eigenaar van HT-C Communicatie en Marketing, literair agent, boekmarketeer en recensent.            http://ht-c-communicatie.nl/

 

Ook te koop als: 

E-book - https://www.kobo.com/nl/nl/ebook/vergiskind-1

Luisterboej  - https://www.storytel.com/nl/books/1839842-vergiskind  

En te leen in de Bibliotheek. 

 

Meer: 

https://www.godijnpublishing.nl/galerij-en-webshop/romans/vergiskind/  

  

https://conniesboekkies.wordpress.com/2020/05/04/vergiskind-lammy-vriesinga/?fbclid=IwAR3Oaj

 

file:///C:/Users/test/Desktop/GP/Vergiskind%202020/EAN%209789493157323%20dd%2017-05-2020.pdf    

 

https://www.hebban.nl/recensie/vero13-over-vergiskind?fbclid=IwAR19xUNbjHQ617UQ9w2ketaqgXYSj15LhNBmP52kfNOKT1W

  

 

Krantenartikel 28 februari 2020

Als er op school een opstel gemaakt moet worden, kan ze haar geluk niet op. En krijgt Lammy Vriesinga een schriftje mee naar huis, met nog wat lege pagina’s, dan bedenkt ze onderweg al hoe ze die zal vullen met miniverhaaltjes. Op haar verjaardag pakt ze het liefst schriften uit en het eerste leesboekje op de lagere school, vormt de aanleiding tot een levenlang lidmaatschap van de openbare bibliotheek. Lezen en schrijven horen bij elkaar als Ot en Sien en als Suske en Wiske, aldus Lammy.

Later ga ik ook boeken schrijven, besluit Lammy. Aangezien iedereen zegt dat daar geen droog brood mee valt te verdienen en Lammy opgroeit met het motto dat een mens zich vooral nuttig moet maken en anderen tot zegen moet zijn, sneeuwt die ambitie onder in “andere leuke dingen”. Ze gaat stug doorgaan en wint verschillende prijzen met haar verhalen en soms ook gedichten. ‘Dat smaakt naar meer,’ volgens een juryvoorzitter. Voor Lammy een stimulans om haar droom een zetje te geven. Ze schrijft verhalen en columns, krijgt af en toe een opdracht en werkt tot enkele jaren geleden als trajectbegeleider en trainer binnen de ggz. Een wereld waarin de verhalen voor het oprapen liggen. En hoewel zij zichzelf vooral een verhalenverteller noemt, geeft ze in 2016 gehoor aan de vraag: waarom geen roman?

Vier jaar later presenteert Lammy op schrikkeldag in de centrale bibliotheek van Hoorn haar debuut: Vergiskind.
Intussen rijpt het idee voor het volgende manuscript. Lammy heeft de smaak te pakken. Want, zoals ze zelf zegt: ‘Spreken is zilver, Schrijven is goud.’

Verhalenbundel 25 Obsessies

25 Obsessies: boeiende verzameling indrukwekkende verhalen.  8 jun, 2016 in Fictie door Hanneke Tinor-Centi

 

’25 Obsessies’ is een verhalenbundel van vijfentwintig verschillende auteurs. Zij geven, ieder op hun eigen wijze, een gezicht aan het beklemmende gevecht dat het hebben van een obsessie met zich meebrengt.

De hoofdpersonen worstelen met de gevolgen van een gedachte of overtuiging die tot een handelen leidt waaraan niet lijkt te ontkomen. Het is vechten of verzuipen. Het gevecht valt te winnen, zeer moeizaam en vaak niet zonder hulp van anderen.

 

Visie van de recensent

 Ruim een jaar lang was de verhalenbundel ’25 Obsessies’ in wording. Vijfentwintig auteurs leverden hun bijdrage en het is een indrukwekkend geheel geworden. De verhalen variëren van emotioneel tot gewelddadig en van beklemmend tot moorddadig.

 

“Jouw schuld. Die twee woorden blijven steken in je gedachten. Je hebt die woorden al vaak gehoord. Te vaak.”

 

Verhalen waar soms de noodzaak dat zij verteld zouden worden, vanaf spat! Wat een effect kan het hebben van een obsessie of obsessieve gedachte hebben! De meesten zullen er, net als ik, weinig besef van hebben hoever dat kan gaan.

 

“Hoewel ik inmiddels vrij en blij over mijn afkomst kan praten, blijft er diep in mij een gevoelig stukje Joods-zijn bestaan. Ik lees ‘Haar naam was Sarah en huil 335 pagina’s om mijn eigen pijn.”

 

Fictie en werkelijkheid wisselen elkaar af, maar de verhalen intrigeren stuk voor stuk. Omdat de verhalen zijn opgetekend door allemaal verschillende auteurs, is de diversiteit in context en stijl vanzelfsprekend ook enorm. Een aantrekkelijk en afwisselend geheel is het resultaat.

 

“Ze liet me zien dat haar moeder een stok achter de deur had staan die ze regelmatig gebruikte om Nurian mee te slaan. Ze vertelde mij ook dat haar moeder er niet voor terugdeinsde om een klap te geven met een hete strijkbout.”

 

Wat ik overigens opvallend vind is dat er zoveel meer vrouwelijk auteurs dan mannelijk aan deze bundel hebben meegewerkt. Schrijven vrouwen gemakkelijker korte verhalen, spreekt het thema hen meer aan? Waar zou het aan liggen?

 

’25 Obsessies’ is een boeiende verzameling indrukwekkende verhalen en ik raad deze bundel dan ook graag aan!

 

De auteurs: Alice Bakker, Violet Bakker, Hermijn Bloemhard, Mindel Blokhuizen, Mandy Bontius, Bibi Boom, Sharon Doggen, Julie van Drooge, Kim Elverding, Annemarie Gerbrandy, Elly Godijn, Inge Hulsker, Irza Karssen, Gerti de Koeijer, Daniëlle Logtenberg, Elke van der Lugt, Krista Middel, Tamara Rozengarden, Johan van de Velde, Sylvia Vermont, Lammy Vriesinga, Wil de Wit, Mariëlle van Woudenberg, Jolanda Zuydgeest,

Suicyco.

 

Uitgever Godijn Publishing

Paperback, 332 pagina’s

ISBN: 9789492115072

 

Verhalenbundel Het Gebaar

Met deze verhalenbundel willen Elly Godijn en Ellis Bel mensen bewust maken van wat het betekent als je doof bent en je dus geen informatie via je oren binnenkrijgt. Dat communicatie en begrip dan voornamelijk via ogen en handen verlopen. Mooie, bijzondere en diverse verhalen en reacties zijn het resultaat van dit bijzondere project. Samen met Pieter Siercks in de jury hebben zij vijfentwintig verhalen geselecteerd voor deze prachtige bundel.

Verhalenbundel Rivierstenen

Laat je meevoeren op de meanderende stroom verhalen en ontdek de geheimen, blootgelegd door rivierstenen.

 

Stenen

Je kunt ze verzamelen, ermee gooien

of er een mozaïek van maken.

Ze dansen in omlaag stromende beekjes,

liggen voor het oprapen,

kunnen de weg versperren

of je kunt er iets mee bouwen.

 

Elf schrijvers hebben het aangedurfd,

zij hebben een steen opgeraapt en

laten rollen tot er iets moois ontstond.

– een andere wending –

 

 Auteurs: Anita Siks, Debby Snel, Dick Pieterse, Elly Godijn, Esmeralda van Belle, Hans Ooms, Ina Hollander, Lammy Vriesinga, Lieve van den Berg, Petra Ross, Sylvia Kuin

 

2015                                                                                ISBN           978-94-92115-05-8

page loading