Mijn krabbels

Poep mei teantjes

Poep mei teantjes

‘Mama, wat ite wy hjoed?’

Toen ik me in de bosjes achter ons huis verstopte, zag ik mijn moeder bij de waslijn. Waarom ik ineens wilde weten wat we zouden eten, weet ik niet. Misschien rook ik iets bij de buren, misschien had ik gewoon trek, misschien wilde ik even contact met mijn moeder.

Maar ze keek over mij heen naar de lucht, waar vanuit het westen wolken - grijs van neerslachtigheid – naderden. Ze voelde aan de lakens en handdoeken en leek er niet gerust op te zijn. Ze had geen erg in mij.

Dit was niet het juiste moment voor zo’n onbenullige vraag. Mijn moeder had wel wat anders aan haar hoofd. Wat aten kwam later wel.

Vanachter een struik gluurde ik naar de lantaarnpaal aan de straatkant. We deden verstoppertje, de buurkinderen en ik. Ik wilde net een sprintje door de steeg trekken om als eerste bij de buutplaats te zijn, toen mijn moeder alsnog reageerde. Blijkbaar was mijn vraag met enige vertraging tot haar doorgedrongen. Een vraag waar ze wel raad mee wist.

“Poep mei teantjes,” riep ze me na.

 

Poep mei teantjes … Het Friestalig equivalent van de gebakken vensterbanken dat een schoolgenootje kreeg te horen op dezelfde vraag. Poep mei teantjes en meer van dat soort uitingen refereren aan het thuisgevoel uit mijn kinderjaren.

 

Mijn vader kon er ook wat van, zij het met andere eigen-zinnig-heden.

Ging het over het weer, dan keek hij naar buiten en concludeerde dat ‘het ’s avonds veel kouder

was dan buiten.’ Wensten we elkaar smakelijk eten, dan reageerde hij met ‘Dat maak ik zelf wel uit.’ Stond ik op het punt om naar zwemles te gaan, adviseerde hij me een paraplu mee te nemen, want ‘het water is erg nat vandaag.’

Zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

Een van de toppers bij ons thuis was, nee, is nog steeds de man mei stofsûgers.

Nog altijd als ik de deur open voor een goedgekapte heer met een zogenaamd aantrekkelijk energieaanbod, of de zoveelste glazenwasser, of de fotograaf die mooie plaatjes van mijn baby – huh? Ik, baby? – wil maken, schiet het door me heen: man mei stofsûgers.

 

Dat kwam zo:

Een rondreizende handelaar in huishoudelijke apparaten dacht aan mijn moeder een stofzuiger te slijten. Misschien had de beste man een slechte dag, ruzie met zijn partner, hoofdpijn, of dat allemaal tegelijk, waardoor hij geen genoegen kon nemen met haar weigering en stug bleef aandringen. Wellicht besefte hij te laat dat hij mijn moeder had beledigd.

“Nooit eerder, mevrouw, zijn de vloeren in uw woning zó schoon geweest.”

Pas toen hij zijn voet van de drempelhaalde, smeet mijn moeder de deur pal voor zijn verblufte tronie dicht. Iets dat totaal niet bij haar pastte en wat dan ook niemand van haar zou verwachten.

We waren er niet bij, maar de buurvrouw, die vanuit een zijraam had toegekeken, vertelde wat er was gebeurd. Zonder deze buuf was het moeilijk te geloven geweest dat mijn moeder tot zoiets in staat was.

We waren diep onder de indruk.

 

Sindsdien, als er aangebeld werd, meestal onder het eten, stond één van ons op om open te doen. Hij of zij keerde dan snel terug met een schouderophalend ‘’t Is neat. Man mei stofsûgers.’

Wie zich uitgaf voor schoorsteenveger, messenslijper, of handelaar in verzekeringen had pech.

Net als mormonen en andere predikers, die het op onze zielen hadden gemund. En dan had je nog de belletjetrekkers, die we gemakshalve ook maar onder de man mei stofsûgers schaarden.

De enige die niet voor niets aanbelde was het kind met het zendingsbusje.

Bekenden belden nooit aan. Die kwamen achterom.

 

Dat ging altijd goed, behalve die ene keer. Terwijl mijn moeder de kleintjes naar bed bracht, ging de deurbel. Ik deed open en wist onmiddellijk met welk volk ik te doen had. Op de stoep stonden een man en een vrouw. Hij had een map onder zijn arm. Zij omklemde een tas. Beiden droegen een saaie, lange mantel uit het jaar nul. Vooral de manier waarop ze me aankeken, blikken die het midden hielden tussen gretigheid en gespeelde welwillendheid, maakte dat ik de deur op een kier hield en luidkeels naar mijn moeder riep: ’t Is neat, mama. Man mei stofsûgers.’

Twee keer per week naar de kerk was meer dan genoeg.

 

Mijn moeder sloot net de slaapkamergordijnen, toen ze de twee met hangende schouders zag weglopen. Ze stoof de trap af, rende naar buiten en kwam even later terug, met de man en de vrouw in haar kielzog. De vrouw bleek een kennis van mijn moeder te zijn, die toevallig met manlief in de buurt was en even wilde aanwippen. Niks Jehova’s.

Wist ik veel.

Mijn moeder, nog nahijgend, foeterde me uit. Ik moest mijn excuses aanbieden, snel de afwas doen en helpen met koffie en cake. Ik dacht dat ze vergat dat ik naar kattebak moest. Vond ik dat erg? Normaal gesproken niet, maar nu ... Ik kon het niet helpen, maar vooral de mannelijke bezoeker, met zijn nietszeggende glimlach en zalvende stem, vond ik verdacht.

Alsof hij stiekem toch op Jehova-missie was.

Mijn moeder legde plakjes eigengebakken cake op de schoteltjes. “Breng dit naar binnen en dan snel naar catechesatieles.”

Ze was het dus toch niet vergeten.

Opgelucht dat ik er niet bij hoefde te blijven zette ik de schoteltjes met cake op de salontafel.

‘Alstublieft.’

De vrouw reageerde verrast. ‘Kind, wat een verwennerij.’

Zelfgemaakt door mijn moeder,’ voegde ik toe, als om het bij mijn moeder nog wat goed te maken. Het scheelde maar weinig of ik had uit pure balorigheid iets anders geroepen.

Poep mei teantjes!

 

 

 

 

Luttele minuten

Woest grommend komt de hond aanlopen als ik mijn fiets tegen het hek zet.

‘ Caesar af. ‘ Zijn baas klinkt al net zo schorgeblaft. ‘Wat moet je?’

Ik reik hem zijn bestelling aan. Sinds vandaag bezorg ik vlees. Mijn eerste baantje. Ik ben dertien en niet bang voor honden.

Walter woont aan een doodlopende weg. Zijn boodschappen laat hij thuisbezorgen. Als hij in het dorp moet zijn, kijkt hij niet op of om en haast zich mopperend uit de voeten. Walter gaat de mensen uit de weg, alsof hij zelf ook vindt dat hij er niet toe doet.

Elke zaterdag breng ik hem het vlees dat hij heeft besteld en de pens voor de hond.

Caesar en ik raken bevriend. Van zijn baasje krijg ik geen hoogte. Soms kijkt de knorrepot hoofdschuddend toe.  

 

Men zegt dat hij geschiedenisleraar is geweest. Dat treft, want ik ben voor school bezig met een werkstuk over gebeurtenissen tijdens de bezetting. Schoorvoetend vraag ik hem iets over een neergehaald vliegtuig boven zijn land. Walter schudt zijn hoofd en zwijgt. Mijn vader zegt dat Walter er alles van weet. Mijn moeder vindt dat ik de man met rust moet laten.

Stukje bij beetje ontdooit de einzelganger. Hij begint naar me uit te kijken, leert me vogels te herkennen en laat me oefenen met zijn pijl en boog.  Ik vertel het niemand. Sommige dingen kun je maar beter stilhouden.

 

Later neemt de zoon van de slager het baantje van me over, omdat ik verhuis naar de stad waar ik een opleiding volg. Sneller dan ik had gewenst, verwatert het contact de baas en zijn dier. Twee keer heb ik aan de deur staan kloppen. Ceasar begroette me opgetogen. Walter leek niet thuis te zijn of deed niet open.

Ik tuurde door het mistige raampje in de schuur waar de handboog lag te verstoffen. Mijn pijlen richtte ik voortaan op nieuwe vrienden.  

 

Jaren later, bijna dertig ben ik, bezoek ik een tante in het zorgcentrum. Tot mijn verrassing tref ik Walter daar. Kleumerig en in elkaar gedoken op een tuinbank.

Ik ga naast hem zitten. ‘Walter, ken je me nog?’

Hij schudt zijn hoofd, nog voor hij mij heeft bekeken.

Als ik over Caesar begin, gaat er ergens in dat verkreukelde hoofd een lichtje branden. Hij steekt een hand in zijn broekzak en diept een foto verfomfaaide foto op van Caesar die ongeduldig naar de camera kijkt.

Het personeel is verbouwereerd. ‘Er komt nooit iemand,’ zegt een verzorgster. ‘Zijn familie wil niets met hem van doen hebben.’

Af en toe, wanneer ik in de buurt ben, zoek ik hem op. De foto strijk ik glad en doe ik in een lijstje. Ik leen een vogelboek van de bibliotheek. Samen bladeren we erdoor.

 

Niet veel later wordt Walter levenloos aangetroffen op de tuinbank.

‘Overleden,’ zegt de geestelijk verzorger. ‘Walter is over het lijden heengegaan.’

Er vallen zalvende woorden over vergeven en vergeten, over thuis zijn in de natuur, over eenzaamheid en compassie voor al wat groeit en bloeit tijdens een korte bijeenkomst.

Een handvol mensen uit het dorp, enkele medebewoners, twee verzorgsters, de uitvaartleider en ik nemen afscheid van de zonderling. Walter zelf is nergens te bekennen. Er is geen kist. Zijn lichaam is niet opgebaard.

Hij laat het de wetenschap na, zo wordt ons medegedeeld.

 

‘Toch een boetedoening,’ zegt een vrouw na afloop. ‘U vond hem zielig natuurlijk, eenzaam en zo. Dat was hij ook, maar toch …’

Ze zucht een paar keer. ‘Zijn pa en hij waren  hartstikke fout in de oorlog.’

Ik verslik me bijna in de koffie. Mijn handen trillen als ik het kopje neerzet. Het bruine vocht gutst over de rand.

De vrouw ziet het. ‘Nooit geweten? Hij werkte voor de Sicherheitsdienst,’ Heel wat mensen heeft hij...’

Ik sta op, stamel wat over bevlekte kleren schoonmaken en maak me uit de voeten.

 

Geen graf, geen urn, geen steen.

Aan de doodlopende weg, waar Walter woonde, raap ik herinneringen bij elkaar en stop ze terug in mijn gedachten, waar ze thuishoren. Ik denk aan de zaterdagen. De zakken met vlees. De boog met pijlen. Tientallen vogelverhalen. Honderden uren dollen met Caesar. Tienduizenden, honderdduizend minuten samen.

Totdat alles in luttele minuten ondersteboven ligt.

Luttele minuten

Voor jou, die zich schuilhoudt

Voor jou, die zich schuilhoudt

                                                

Stel dat ik nu een vogel was,

dan tikte ik zacht tegen ‘t glas

en zou een liedje fluiten.

Een vers van hoop, een lied vol zon,

omdat ik dat als vogel kon.

Jij binnen. En ik buiten.

 

Maar nu ik toch geen vogel ben

heb ik hier enkel nog mijn pen

om jou wat toe te dichten.  

Een hoopvol woord, een klein gebaar

Van mij, voor jou; ik hoop dan maar

jouw dag iets te verlichten.

 

Er zit een vogel in het gras.

Ik wou dat ik die vogel was;

ik zou dicht bij jou blijven.

Maar omdat ik geen vogel ben,

kan ik alleen nog met mijn pen

       voor jou een rijmpje schrijven.      

Rijk met Rijk

Rijk met Rijk

Deze maand zou hij 73 jaar geworden zijn: Mijn grote broer.

Ruim elf jaar geleden stierf hij na een ziekbed van enkele maanden. Zijn dood kwam te vroeg, veel te vroeg. Hij had nog zoveel in zich aan liefde, humor en muzikaliteit die hij met ons en anderen deelde.

Het zijn de dierbare herinneringen aan hem die ons erdoorheen helpen. Momenten die ons ontroeren en ons laten lachen.

 

Rijk heet hij en rijk waren wij, familie en vrienden met hem.

Voor mij was hij een echte grote broer. Zo’n broer die zijn zusjes kon plagen en op stang jagen, maar die het op straat, schoolplein en waar dan ook altijd voor hen opnam. Een broer vol grappen en grollen, niet al te serieus met school, maar wel met het maken van muziek. Hij was nog geen tien jaar jong toen hij met vier vingers een redelijk harmonieuze setting speelde van “Hannes loopt op klompen.” Dat hij op orgelles zou gaan stond wel vast.

 

De broer op wiens verjaardag mijn moeder een keer oliebollen bakte, omdat hij, op haar vraag wat voor lekkers hij wenste te eten, antwoordde dat hij het zo jammer vond dat we die alleen rond Oud en Nieuw voorgeschoteld kregen.

 

De broer die samen met een vriend oud papier inzamelde bij de boerderijen buiten het stadje, voor de jeugdvereniging van de kerk. Met een karretje achter de fiets.

Op een namiddag trof ik hem bibberend en druipend in de schuur. Vriend en hij hadden op de dijk een bocht te ruim genomen en waren over de rand gekukeld. Beiden belandden in het water, Rijk kreeg de kar ondersteboven over zich heen. Mazzel dat ze samen waren: Vriend wist de krantenkar met hulp van een omwonende terug te kiepen.

Ik haalde droge kleren uit huis.  In mijn herinnering waren we samen in de schuur bezig met de gevolgen van deze onfortuinlijke duik in het water. Alsof er verder niemand thuis was. Ik weet ook niet hoe de confrontatie hierover met  mijn ouders is verlopen.

Rijk moet op z’n minst een stevige reprimande hebben gekregen. Ik  herinner me wel zijn gespannen gezicht die middag.

Hij vreesde dat moment van de waarheid. 

Samen hebben wij de natte kleren opgehangen aan de waslijn.

 

Samen ook zaten we op een avond in gespannen afwachting bovenaan de trap te luisteren naar de geluiden van beneden:

Onze moeder was bezig haar vijfde kind op de wereld te zetten. 

Onze vader, de huisarts en een kraamzuster waren daarbij. Broertje en zusje sliepen. 

Wij beiden waren ons er maar al te goed van bewust dat niemand op ons lette.

De tijd verstreek. Hoe lang we daar zo hadden gezeten weet ik niet. Het duurde en duurde ... Af en toe mompelden we wat.

Ineens schoot Rijk omhoog. ‘Stil ‘s …’

Ik hoorde het ook: Babygehuil.

‘Het is een meisje, ’zei hij met een stelligheid die mij verbaasde.

‘Hoe weet je dat nou?’

‘Gewoon,’ antwoordde hij. ‘Dat kun je horen, ssst, luister ...'

Vergeefs spitste ik mijn oren.  

 

Beneden ging een deur open. Stemmen in de gang. Voetstappen op de trap.

Broer en ik doken als de wiedeweerga onze bedden in.

Vaders hand op mijn schouder. ‘Lammy, je hebt er een zusje bijgekregen.’

Prachtig, maar dat wist ik dus al.

 

Eigenlijk had mijn slimme broer altijd gelijk. Nu ja, bijna altijd. Wijsheid en humor trokken samen op bij Rijk. 

Zo’n broer dus. Ik mis hem.

En ik ben niet de enige.   

 

 

 

Made in Azië

 

Vanaf de bevroren aarde

hunkerden mijn voeten

naar binnen

 

waar ze warmte ontmoetten

en elk zich ontdeed

van schoenen,

 

om zich naakt

te koesteren op een kleed,

door kinderhanden gemaakt.

 

Made in Azië

Echt

Echt

Acht of negen jaar zal ik geweest zijn toen ik van Sinterklaas een pop kreeg in plaats van een boek. En wat voor pop. Eéntje met echt haar en echte ogen die open en dicht konden. Witte krullen had ze, net als het dochtertje van een mevrouw bij wie mijn moeder als dienstmeisje had gewerkt. Nettie heette dat meisje.

Een leuke naam voor mijn poppenkind.

 

Niet lang na het feestelijk avondje trof ik mijn pop, weggemoffeld onder een dekentje en op haar buik liggend, aan in het ledikantje van mijn kleine zusje. Toen ik de pop optilde, rammelde ze nogal. Ik draaide het gezichtje naar me toe en blikte onthutst in twee gaten, daar waar de helderblauwe oogjes hadden gezeten.

Onmiddellijk wist ik wie de hoofdverdachte moest zijn.

Mijn lieve broertje, die altijd wilde weten hoe de dingen in elkaar staken, die zijn dinkytoys-autootjes sloopte om ze weer in elkaar te sleutelen, wat nogal eens mislukte, die in geen velden of wegen te bekennen was,  dàt broertje dus, had in zijn onderzoeksdrift iets te stevig op de poppenoogjes gedrukt.

Gelukkig wist mijn vader raad met het arme poppenkind. Hoewel de oogjes niet meer konden sluiten, zaten ze snel weer op hun plaats. De echte pop, met echt haar en bijna echte ogen was een waakzame pop geworden.  

Als het daar nou bij gebleven was …

 

Een paar jaar later zette mijn jongste zusje in een onbewaakt ogenblik de schaar in de poppenkrullen. Tot aan mijn tienerjaren bleef Nettie me met haar kaalgeplukte koppie hoopvol aanstaren, alsof ze, net als ik, op een wonder wachtte.

 

Toen het ouderlijk huis leeg moest, dook Nettie op tussen de spullen op zolder. Met haar onechte ogen en geplukte haardos begon ze aan een tweede leven met de poppen van onze kinderen en een derde leven met kleinkinderen. Ze werd altijd liefdevol meegenomen in hun spel. Ik vermoed dat haar gemankeerde uiterlijk vertedering opwekte. Soms ging ze mee in bad en als de poppenmoeders in bed lagen, draaide ik Nettie’s armpje los om haar van het overtollige badwater te verlossen. Dat ging goed, tot de dag waarop armpje en lijfje niet meer samenwerkten.

Het moment van afscheid nemen. Omdat de poppendokter van de kinderkledingbank altijd onderdelen nodig heeft, was Nettie als donor voor andere poppen zeer welkom.

En zo heb mijn bijzondere poppenkind beschikbaar gesteld aan de poppen-wetenschap.  

Hoe echt wil je het hebben?

SONNET

 

Hier is het veilig wonen, waar de zee

de aarde in haar macht wil onderbrengen,

waar zout en zoet zich met elkaar vermengen;

de brakke grond brengt voedsel met zich mee.

 

Hier is het zorg'loos leven, in dit land,

amper aan zilte zeebodem ontstegen,

waar mens en dier verankeringen kregen     

door stugge arbeid en met harde hand.

 

Hier moet het veilig zijn voor hen die naar

dit land, waar golven geen bedreiging lijken

en waar de horizon eindeloos ver wil reiken,

gevlucht zijn voor geweld en voor gevaar.

 

Daar, waar bescherming is,

daar mag ontferming zijn.

Vrienden voor het leven

Vrienden voor het leven

In het hart van Hoorn, nabij het plein en te midden van de straten en steegjes die de stad zo karakteristiek maken, stond een boekhandel. Een plek vol verhalen, avonturen en ontdekkingen.

Na vele jaren van dienstbaarheid aan lezers in Hoorn en West-Friesland, zag de eigenaar zich genoodzaakt de deuren voorgoed te sluiten. 

Wat een gemis.

Natuurlijk, er zijn meer winkels waar boeken worden verkocht, ook in Hoorn, maar toch … De Hoornse boekhandel was een echte, ouderwetse én eigentijdse boekenwinkel, met veel aandacht voor klant en auteurs. En met louter boeken.

Ik vrees dat dit laatste een reden van de sluiting is.

 

Deze boekhandel was meer dan een plaats om boeken te kopen. Het was een toevluchtsoord voor wie hield van papier tussen de vingers, van die inktachtige geur en van het geritsel van pagina’s die omgeslagen worden. Het was een plek waar boekenwurmen jong en oud, elkaar ontmoetten, hun passies deelden en nieuwe werelden ontdekten.

 

Het was ook daar waar mijn debuut een plek kreeg in de etalage.

 

Deze boekhandel heeft de kracht van boeken levendig gehouden, mij meegenomen op reizen naar verre landen, me laten kennismaken met betoverende personages en mij verhalen geschonken die mijn blik op de wereld hebben verruimd.

De winkel heeft me verleid met boekomslagen die mijn aandacht trokken, me betoverd met zinnen die ik met anderen heb gedeeld, omdat ze te mooi waren om voor mezelf te houden. Herinneringen als bladzijden in een dierbaar boek waarvan ik maar niet uitgelezen raak.

Met weemoed kocht ik daar voor de laatste keer een roman van Celeste Ng. Ik heb het boek nog niet van de plank met nog te lezen gepakt, laat andere titels nog even voorgaan, alsof het beeld van de Hoornse boekhandel zal vervagen, zodra ik het boek uit heb.

 

Is het sluiten van een winkeldeur niet hetzelfde als het wegleggen van een uitgelezen boek?

Met een zucht constateer je dat het uit is, zeg je ‘dag’ tegen de personages en snuffel je alvast tussen de titels die je nog wilt lezen. Je kiest er één uit, bekijkt de cover en leest de achterflap.

Vervolgens ga je op zoek naar een nieuw boek, of je pakt het van de plank Nog te lezen.

Gelukkig worden er nog wel boeken verkocht. Veel boekwinkels overleven door ook andere producten te verkopen en zelfs koffie te schenken. Ook zonder de grandeur van de Hoornse Boekhandel is het een zegen voor de mensheid dat er überhaupt nog boekwinkels zijn.

 

En online?

Ik hoor het jullie vragen. Lees mijn goede raad: Wil je niet dat er nog meer boekwinkels uit het straatbeeld verdwijnen, bekijk dan het boek of genre van je interesse, lees recensies, onthoud de auteur. Neem ze mee naar de dichtstbijzijnde boekenwinkel of pak de telefoon. En bestel. Binnen twee, drie dagen kun je jouw boek ophalen.

Of zet het op je verlanglijstje en laat je verrassen, want:     Een boek scherpt je geest

                                                                                      verlaagt stress

                                                                                      en vult je hart met compassie

 

Kortom:       Boeken zijn vrienden voor het leven! 

 

Sociale vaardigheden

Sociale vaardigheden

Met vijf cursisten houden we ons bezig met sociale vaardigheden. We hebben het over kwesties als een praatje maken, wat lastig kan zijn als  blokkerende hersenspinsels in de weg zitten of als je de neiging hebt de gedachten van de ander bij voorbaat in te vullen. We verdiepen ons in het uiten van kritiek, het krijgen van waardering en het omgaan met kwaadheid, om maar enkele onderwerpen te noemen. 

Communicatie dus.

Hoe belangrijk non-verbale communicatie is blijkt in in deze groep een eyeopener te zijn.  

En daarmee ontkomen we niet aan het besteden van ruime aandacht aan de ontmoeting met anderen. In alle facetten. Dat het niet alleen gaat om wat je zegt, maar ook hoe je het zegt, de toon, de houding, de gezichtsuitdrukking, de lichaamstaal.  Om zo te laten zien dat je gericht bent op de ander en te ervaren dat de ander gericht is op jou.

Denk nu niet dat alleen de cursisten het één en ander leren tijdens deze bijeenkomsten. Als één ding duidelijk mag zijn is het wel dat ik veel opsteek van hun verhalen, hun ervaringen, hun soms door schade en schande wijs geworden waarnemingen.

Deze training kent dan ook een hoge mate van wederkerigheid.

Hoe handig het ook is dat we kunnen mailen, bellen, twitteren en facebooken, er gaat niets boven een werkelijke ontmoeting, zo concluderen we.

 

Maar dan.

Ik sta op een perron te wachten op de trein naar Amsterdam. Nu zijn het mijn eye’s die geopend worden. Naast mij staan twee meisjes tegen een muur  geleund. Zwijgend. Hun vingers jagen over de toetsen van hun smartphone’s. Na een minuut of wat stap ik de dubbeldekker in.  Op de trap zitten scholieren, stuk voor stuk starend naar de schermpjes in hun handen, niemand uitgezonderd.

Ik kies een zitplaats onderin. Tegenover mij zit een vrouw, beetje grijs al; mijn leeftijd schat ik zo. Door het gangpad loopt een meisje, nog geen achttien, denk ik. Een plat toestelletje tegen haar oor gedrukt. En ieder mag het horen. ‘Neehee, ik ben er pas over een half uur. Neehee, ga maar vast. Neehee, maakt me niks uit.’

Ook de vrouw tegenover mij ergert zich. Zie ik. Ze werpt een theatrale blik naar het plafond, alsof ze een schietgebedje afvuurt naar één of andere godheid, die haar moet verlossen uit deze ellende.

‘Neehee, rot op!’  Het meisje stampt langs de zitplaatsen.

De vrouw tegenover mij zucht en vist een mp-3tje uit haar tas. Het duurt nog een halve minuut eer ze het snoer heeft ontwart. Tegen de tijd dat de oordopjes op hun plek zitten, heeft het meisje een plek gevonden tussen haar leeftijdgenoten op de trap, waar ze narrig naar het schermpje staart.

Ik kijk om me heen en hoop vurig dat mijn mobiel niet af gaat. De vrouw tegenover me leunt met haar hoofd tegen de zitting.

Ik vraag me af naar welk soort muziek ze nu luistert. Ze opent haar ogen en staart me aan, zonder me te zien.

Over wederkerigheid gesproken…

Aalsen 12-08 – 1923 - 12-08-2022

Aalsen 12-08 – 1923 - 12-08-2022

 

Ik mis hem als ik orgels hoor

klavieren en een bas

in het pedaal.

 

Ik mis zijn sigaretten

zijn komen en zijn gaan

zijn lachsalvo’s en humor

en zijn eigen-wijze taal.

 

“Laat me mijn eigen gang maar gaan”

 

Ik mis het allemaal.

Plukgeluk

Plukgeluk

Als kind dwaalde ik graag door de velden. Vanaf de Stenendijk tegenover ons huis, waar je bij zonnig weer het Zwartewater aan de horizon zag glinsteren, plukte ik bloemen in de uiterwaarden. Wilde margrieten, klaprozen, vingerhoedskruid, kievietsbloemen...

Een boeketje voor mijn moeder.

Ze zei niet dat klaprozen het slecht doen na de pluk. Ze zei ook niet dat vingerhoedskruid giftig is. ‘Dankjewel,’ zei ze. ‘Ze zijn prachtig.’

 

Later woonde ik met man en kroost in het westen, toen een van onze dochters thuiskwam met bloemen die ze onderweg had gevonden. Even vroeg ik me af of ze die pioenrozen in een parkje had geplukt. Toch zei ik er op dat moment niets van. Ik wilde het feestje niet bederven.

‘Dankjewel,’ zei ik. ‘Ze zijn prachtig.’

 

Inmiddels wonen we in een dorp in West-Friesland. Van tijd tot tijd logeren kleinkinderen bij ons. Tijdens zo’n vakantieweek kwam een kleindochter binnen. Haar hand achter de rug. ‘Tadàà...’ riep ze en toverde stralend een bosje bermbloemen tevoorschijn.

Ik zag akkerwinde, herkende het blad van de weegbree en bewonderde een pluizebollige paardenbloem. Alleen de twee roomwitte rozen deden mijn wenkbrauwen omhooggaan.

Dat het meenemen van blommetjes uit een voortuintje niet mag, hield ik nog even voor me. Je hoort immers niet naar de herkomst van een cadeautje te vragen.

‘Dankjewel, zei ik. ’Wat zijn ze prachtig.’

 

Wat ik toen niet had kunnen bedenken, hoe naïef kun je zijn, is dat er sinds weet ik wanneer, maar sinds lange tijd, niets meer te plukken valt op weidegronden en langs bermen. Op hier en daar wat paardenbloemen en fluitenkruid na dan. We kopen snijbloemen in de winkel, op de markt of bij een stalletje aan de weg, maar zelf plukken is er niet meer bij.

Oké, als je geluk hebt is er een pluktuin in de buurt, maar die vind je lang niet overal, terwijl de natuur wel overal is. Nog wel.

 

En toch …

Het moet toch mogelijk zijn dat onze boeren en natuurbeschermers er samen uitkomen, wat betreft de zorgen omtrent de natuur, de landbouw en veeteelt. Ofwel het gedoe rond stikstof. Ze zullen wel moeten. Nee, niet de ministeries, die kunnen het niet. Politici hebben electoraat-vrees. Angst voor de kiezer. Durven niet verder te kijken dat tot de eerstvolgende verkiezingen. De kwestie werd en wordt dan ook voortdurend doorgeschoven.

Het lijkt mij beter om dit over te laten aan de echte deskundigen. Zij die begaan zijn met de natuur en zij die zorgdragen voor de land- en tuinbouw. Immers een adequate oplossing dient het belang van beide partijen en dus van alle Nederlanders.

En als dat nou eens niet lukt? Tja, dat is dan vragen om rigoureus ingrijpen door de overheid en dan krijgen we weer een heleboel onrust in de samenleving. Nee, wat mij betreft gaan boeren en natuurbeschermers samen eten en in gesprek met slechts één doel: Een oplossing die voor beiden op de lange duur houdbaar is. En dat begint met vertrouwen over en weer.

Het enige dat de overheid dan nog te doen heeft is de  gezamenlijke gekozen en gedragen oplossing te respecteren, te faciliteren door banken tot medewerking aan te zetten en zowel koepelorganisaties als supermarkten aan te sporen tot eerlijke prijzen, waaruit waardering en respect spreekt voor de boer en onze natuur.

Dat laatste betekent dat ik meer dan nu zal moeten betalen voor groente, fruit en vlees.

Daar staan dan een rijke natuur, tevreden kringloopboeren en gezond scharrelend vee tegenover. En velden vol bloemen.

Iets om naar uit te kijken. Of om van te blijven dromen.  Naïef? Het zal.

 

Voorlopig pluk ik dan maar de dag.

Jitske 28 juni 1924 - 5 mei 1989

Jitske 28 juni 1924 - 5 mei 1989

 

 

 

 

Al weet ik haar niet zichtbaar meer,

 ze woont in mijn gedachten

en in mijn hart,

waar dierbare herinnering

de dagen en de nachten

waarin ik haar het meeste mis

een tikkeltje verzachten.  

Esther

Esther

Wij hebben elkaar nooit ontmoet. Zonder de roestige spijker waarmee jij jezelf onsterfelijk hebt gemaakt, had ik niet geweten van jouw bestaan. Ik denk namelijk dat het een spijker was waarmee jij jouw naam in het hout kraste.

 

Augustus 2016. We zijn op vakantie. Nu geen wandeling in de bergen of fietstocht langs rivieren. We bezoeken steden, musea en bezienswaardigheden, zoals dit hier. Manlief en ik staan in een lange rij te wachten. De strenge veiligheidscontrole bij de ingang vraagt geduld en begrip. We moeten alles wat we bij ons dragen achterlaten. Ook mijn tas. Portemonnee en mobieltje stoppen we in onze broekzakken. De camera hangt om mijn nek. Als het moet kan ik met weinig toe.

Jij daarentegen moest niet alleen jouw dierbaren, maar ook je bagage, je waardigheid en jouw toekomst achterlaten.

Welkom in Auschwitz Eén.

 

We zijn met een groep medelanders en een enkele Duitse toerist. Een vriendelijke gids wacht ons op. Hij spreekt geen Nederlands. We mogen kiezen: Engels of Duits. De groep kiest Duits. Een tikkeltje wrang, vind ik, maar ach, een kniesoor …

Binnen de poort bevinden we ons op het terrein van een voormalige Poolse kazerne, met gebouwen die als blokken genummerd zijn. Hier werd een begin gemaakt met de systematische en logistiek gestructureerde oplossing van wat zich het beste laat vergelijken met ongediertebestrijding. Elk blok heeft een eigen land of thema. Alleen in blok tien is  alles nog net zo, zoals het toen is achtergelaten Het is er bedompt en er hangt een misselijkmakende sfeer. De muren tonen wat niet gezegd kan worden.

In het laatste blok staat “The book of names.” Een enorme rij manshoge mappen, elk bijna zo breed als een deur, waarin de grondige administratie van het kamp is verzameld. Eindeloze rijen namen met geboorte- en sterfdatums.

De boeken zijn te dik, te groot, te veelomvattend en in te bladeren.

Jullie waren met te veel, Esther.

 

In een propvolle bus overbruggen we de afstand naar Auschwitz Twee, beter bekend als Auschwitz-Birkenau. Daar waar snode de plannen ten uitvoer werden gebracht, uit het zicht van het volk. Hoewel het hele complex de uitstraling had van een fabriek, zullen zij die in de omgeving woonden, alsmede leveranciers en anderen die daar beroepshalve kwamen toch zo hun vermoedens hebben gehad. De stank viel immers niet te verdoezelen.

De barakken staan op ruime afstand van elkaar en de wind heeft er vrij spel. Hier in de open lucht kan ik weer volop ademhalen. Misschien voelde dat voor jou ook zo toen de treindeuren opengingen en je na drie, vier, vijf etmalen de wind op je gezicht voelde. Het bleek valse hoop toen daar op de Rampe jouw ouders en broertjes naar rechts en jij naar links werden gejaagd. Je moet beseft hebben, Esther, dat je hen niet meer terug zou zien. Arbeit macht frei.

 

Tenslotte belandde jij in de “het portaal voor de dood,” de barak waar je zonder water, voedsel en latrines, je laatste dagen hebt gesleten. De ‘wachtkamer,’ zoals het hier werd genoemd en die jij en de andere vrouwen pas zouden verlaten als er weer een gaskamer vrij kwam. Ik sluit mijn ogen en doe een vergeefse poging me voor te stellen hoe het hier geweest moet zijn.

‘Er werd ook wel gezongen,’ zegt de gids.

Ik luister, open mijn ogen, loop wat rond en probeer de krassen in de wand te ontcijferen. Esther 20 jaar. Jouw ultieme daad van verzet. Je bent niet naamloos gestorven, Esther. En je zult niet worden vergeten.

 

Vanaf nu woon jij in mijn gedachten. 

 

 

Eén april

Eén april

 

Boeken dicht, schriften opzij.’

Met de armen over elkaar wachten we op meesters commando’s terwijl hij zich tussen de rijen door naar de potkachel haast om in zijn drankje te roeren. Meester drinkt graag opgewarmde karnemelk. De stank is niet te harden. Sommige meisjes knijpen hun neus dicht. In de jongensrij rumoert het.

Meester recht zijn rug. ‘Stilte.’

Terughinkend deelt hij hier en daar een tik uit en trekt aan het oor van een jongen die zich krommend van pijn van zijn stoel laat sleuren.

‘Opruimen.’ Meester wijst naar een prop papier op de grond. Zijn brillenglazen blikkeren in het lamplicht als hij zich naar ons toekeert en met vlakke hand op de lessenaar petst.

Een vergeelde vinger wijst naar mij. ‘Jij daar. Maak het bord schoon.’

 

Berucht is hij, meester Sleur. En beroemd. Iedereen kent hem, niemand weet waar hij vandaan komt en waarom hij mank loopt. Generaties scholieren heeft hij les gegeven. Zijn orthodoxe manier van onderwijzen overleeft iedere poging tot vernieuwing.

Niemand die zo meeslepend verhalen kan vertellen als meester Sleur. Behalve maandag, psalmversjesdag, beginnen de schooldagen met Bijbelverhalen. Zodra meester een sigaar heeft opgestoken, steekt hij van wal.

Met bonkend hart luisteren we naar het verhaal van een vader die van plan is zijn zoon te offeren. We sidderen als hoeren worden gestenigd. En wanneer een op drift geraakt volk zich een weg baant door de zee, met golven die links en rechts als muren oprijzen, geloven we onze oren niet. Maar als meester het vertelt moet het wel waar zijn.

 

Als Gods eigen zoon laaiend van woede een markt op stelten zet, kraampjes omgooit en bakken geld omkiepert op het tempelplein, zien we het voor ons. Daar in dat boek doen mensen dingen die onze brave vaders, meesters, juffen en dominees niet durven te doen.

We leven mee met zieken die de stadspoort worden uitgejaagd en met bedelaars die over het hoofd worden gezien. Van een tere kinderziel is bij ons geen sprake. Hangend aan meesters lippen vergeten we breuken en strafregels, vergeten we ook de stank van sigaren en opgewarmde karnemelk.

 

Meester laat niet voor niets het bord schoonvegen: Tijd voor de vaderlandse geschiedenis.

Klas vier houdt zich gedeisd. Meester zou zich eens kunnen bedenken. Er hoeft maar iets onoorbaars plaats te vinden, of hij slaat ons met zo’n stom dictee om de oren.

Vandaag neemt meester ons mee naar de poorten van Den Briel, waar armzalige vrijheidsstrijders het opnemen tegen de Spaanse overheersers. We duiken ineen bij het geschut, stoppen vingers in onze oren tegen het bulderend wapengekletter en juichen als meester, met de aanwijsstok voor zich uitgestoken, op de gangdeur afstormt. Het is een april. Den Briel gaat er aan.

‘In naam van oranje, doe open de poort!’

 

Meester wankelt een ogenblik. De stokpunt boort zich dwars door de ruit. Het glas-in-lood barst uit de sponning en valt gruizelend uiteen.

Klas vier houdt de adem in.

Achter het venster in de tussendeur verschijnt het grimmige gezicht van de hoofdmeester.  Meester Sleur ziet het niet.

‘Voor God en Vaderland,’ brult hij.

Maart

Uit het niets duikt hij op. Ineens banjert hij mijn leven weer eens binnen.

Michiel, een zorgwekkende zorgmijder zoals we dat in het ggz-jargon noemen. Dakloos en verslaafd. Eigenzinnig, wars van regeltjes en betweters. Niet bang voor een snoeiharde confrontatie met “die gasten,” die hem naar eigen zeggen het leven zuur maken.

Soms schreeuwt hij het uit, zijn stem raspend als brekend glas. Hij waarschuwt de mensheid voor het gevaar van de pillenmaffia en het gif dat onzichtbaar neerdaalt uit de hoge. Maar meestal beweegt hij zich onopvallend in de schaduwen van het bestaan. Zijn rug gekromd onder eenzaamheid.

‘Ha Michiel,’ roep ik wat al te enthousiast.

Hij negeert mijn opgestoken hand en houdt zich doof. Let niet op mij. Ik besta niet.

Zijn houding is veelzeggend. Hij houdt zijn blik gericht op de straat, alsof hij een weg volgt die hij al te vaak heeft afgelegd om te overleven. Een doodlopende weg. Inwendig vloekend op eenieder die zich om hem bekommert.

 

Dagelijks je portie methadon halen,’ adviseert de verslavingsarts, ‘dan heb je die rommel niet meer nodig.

Alsof Michiel niet al jarenlang chronisch ziek is.

Wij helpen je met het vinden van een huis,’ beloofd de intaker van de nachtopvang.

Terwijl Michiel gek wordt van muren, die als monsters op hem af komen.

‘We regelen iemand die jou helpt met de huishouding,’ laat de zorgbemiddelaar weten. Maar een schone vloer en een fris toilet spoelen zijn angsten niet weg.

‘Met een indicatie kunnen wij jou ondersteunen,’ oppert de casemanager.

Alsof dat zijn schreeuwende behoefte aan verdoving stilt.

‘Structuur in je dagen kan een terugval voorkomen,’ meent de maatschappelijk werkende.

Helaas, Michiel ís al op de bodem van zijn bestaan terechtgekomen.

 

Als uit het niets vliegt er een bemodderde voetbal over een hek en stuitert de straat in om een eind verder in de goot tot stilstand te komen.

‘Meneer,’ schreeuwt een jongen vanaf een trapveldje achter het hek, ‘Gooi die bal effe terug, alsjeblieft.’

Michiel kijkt naar de bal en sjokt verder.

‘Meneer, toe nou alsjeblieft.’

Dan komt ook Michiel tot stilstand. Een brede grijns trekt over zijn bebaarde gezicht. Hij kwakt zijn plunjezak op straat, negeert het geluid van brekend glas en zet zijn voet op de bal. Glunderend kijkt hij naar de voetballertjes achter het hek en komt in beweging. Hij neemt een aanloop en haalt snoeihard met links uit. Die man heeft meer power in zijn lijf dan wij allemaal veronderstellen.

Met een fraaie boog belandt de bal op het veldje. De voetballertjes steken hun duimen op. ‘Bedankt meneer.’

Fier pakt Michiel de plunjezak op en stapt de straat en mijn leven weer uit.

Eindelijk wordt hém eens iets gevraagd.

Maart

Februari

Februari

Zoals elke zondagmiddag nestelt onze vader zich in de rookstoel voor een middagdutje. Zijn jenever staat al koud.

Mijn broer heeft de schaatsen ingevet. Hij, zusje en ik kijken elkaar aan. Zullen we dan maar?

Ik prevel een schietgebedje en kijk naar buiten, alsof daar onze hulp vandaan komt. Roomse jongens en meisjes en mensen die nergens-aan-doen fietsen voorbij. Mutsen op, schaatsen onder de snelbinders. Deze winterdag is een godsgeschenk. We hebben alleen vandaag. Jammer dat het zondag is.  Zondag wil zeggen: twee keer naar de kerk, niets kopen, niet sporten, geen wereldse zaken behartigen. De zondag dient voor rust en heiliging. Schaatsen doe je maar door de week.

Dat is het ‘m nou juist. Morgen moeten we naar school én het gaat het dooien.

 

Onze moeder in de keuken heeft in de gaten dat we een poging ondernemen om het ijs rond het hart van onze vader te doen smelten. Zij vindt het goed, maar ‘Alleen als papa ook akkoord gaat.’

Gedrieën binden we de strijd aan met de onwrikbare standpunten die onze vader eerbiedigt. In slagorde naderen we de rookstoel. Hij zit met de rug naar ons toe. Ik denk dat hij ons al verwacht.

‘Pap?’

‘Wij christenen schaatsen niet op zondag.’

‘Maar morgen gaat het dooien.’

‘Alsjeblieft papa. Het kost ook nog eens niks.’

Ons bidden en smeken vindt geen gehoor. Met een vermoeid gebaar wuift hij ons weg.

 

We trekken ons terug in de gang om te beraadslagen.

‘Papa gunt het ons wel, zeg ik. ‘Maar hij ziet beren op de weg.’

Beren? Zusje vat het niet. ‘Welke beren?’

‘IJsberen,’ zeg ik wijsneuzerig. ‘Papa is bang dat een ouderling het te weten komt. Dan krijgt hij een vermaning.’ Dat woord  heb ik eens horen fluisteren, toen twee jongens van onze kerk kranten hadden bezorgd op zondag.

‘Laat mij maar even.’ Grote broer begint een eenmansactie.  

‘Als we voorbij de brug het ijs opgaan, ziet niemand ons. Daar woont toevallig ook niemand van onze kerk,’ fluistert hij in mijn vaders oor.

Onze vader gelooft niet in toeval. Alles is beschikt. Met een ongeduldig armgebaar veegt hij onze argumenten van tafel, zoals Jezus deed bij de geldwisselaars in de tempel. 

 

Terug naar de gang. Mijn broer vloekt zachtjes. Zusjes lip trilt. Ik stampvoet. Godallemachtig, dat  uitnodigende ijs is toch ook een deel van de schepping?

‘Jezus vindt schaatsen op zondag vast niet verkeerd,’ mopper ik.

Mijn zusje kijkt op. ‘Jezus? … Wacht eens even …’ Ze stuift naar de rookstoel met onze knikkebollende vader. ‘Papa, wat is eigenlijk het verschil tussen over het water lópen en…’

‘Huh?’ Vader schiet overeind. Klaarwakker  ineens. En dan weer dat magische gebaar met zijn arm, maar dan net even anders. ‘Vooruit, ga dan maar jullie zeurpieten.’ Hij zakt weer terug. ‘En denk erom, voor het donker …’

 

We zijn al weg, staan in no-time op de Dedemsvaart, rijden richting Lichtmis, keren terug, draaien rondes, proberen achtjes, vallen en staan weer op.

Dat moet ik Jezus nog zien doen.  

Januari

Mijnheer Schillinger vertelt geen verhalen meer.

‘Wilt u koffie?’ vraagt de gastvrouw. Mijnheer Schillinger knikt vriendelijk.

‘Kunt u opstaan?’ vraagt de fysiotherapeut. Mijnheer Schillinger komt steunend op zijn handen overeind. Zijn arts kan niets vinden dat naar afasie of een woordvindprobleem wijst. ‘Kunnen we even praten?’ vraagt hij. Mijnheer Schillinger schudt zijn hoofd en wuift de dokter weg.

 

Ooit vertelde hij verhalen. Aan buurtkinderen, verjaardagsvisites, bridgevrienden en ieder die het wilde horen. Als hij moppen tapte over Sam en Moos, viel zijn licht-Duitse accent niet eens op. Met zijn vrouw deelde hij een kleine woning in een volkswijk en in alle stilte het verdriet om hun onvervulde kinderwens.

Het leven van de Schillingers lijkt halverwege de jaren veertig te zijn begonnen. Alsof het paar bevrijd was van wat een liefdevol, onbekommerd samenleven in de weg had gestaan. Hun geheimen bewaarden zij zorgvuldig, glimlachend, met een zweem van pijn in hun ogen. Wanneer iemand voorzichtig over vroeger begon, zag mijnheer Schillinger kans het gesprek, met een kwinkslag, een andere wending te geven, waarop steevast een verrassende anekdote volgde. Zijn luisteraars hingen aan zijn lippen en stelden geen vragen meer. Mijnheer Schillinger bleek een geboren verteller te zijn.

Tot mevrouw Schillinger ziek werd.

Toegewijd verzorgde hij haar tot het eind. Tijdens de begrafenisplechtigheid waren het de buurtkinderen die zijn verhalen vertelden, inclusief  een anekdote over Sam en Moos, zodat er ook gelachen werd.

 

Verdrietig trok mijnheer Schillinger zich terug. Uitgeteld en uitvertelt.

Op de eerste verjaardag zonder zijn vrouw deed de buurt hem een puppy cadeau.

Samen wandelden ze dagelijks naar de begraafplaats waar hij, gezeten op een boomstronk, eerst onwennig, gaandeweg als vanouds, haar zijn verhalen vertelde.

Humor mengde zich met verdriet.

 

Op een dag gleed hij uit en brak zijn heup. Het gemis van de wandelingen naar zijn vrouw deed het meest pijn, tot de buren hem elke zaterdag naar de begraafplaats duwden, terwijl de hond uitgelaten rond de rolstoel rende.

Na zijn revalidatie verruilde mijnheer Schillinger de bridgeclub voor de ouderensoos. Als afscheidscadeau kreeg hij een stevige rollator, die hij vlak naast de zerk zette.

Dichter bij zijn Marie kon hij niet komen.

Mijnheer Schillinger begon weer verhalen te vertellen. Aan zijn soosgenoten, de buren, de verjaardagsvisite en wie het maar horen wilde. Verhalen over zijn vrouw, haar Oudhollandse poppenverzameling, hoe ze sprak, zong en lachte en over dansles waar ze langgeleden schoorvoetend aan waren begonnen. Verhalen met humor.

 

Tot een week geleden, toen hij bij het graf tussen de verwaaide takken van de uitgerukte struisvaren en onder de zwarte kalkletters op de steen haar naam zocht.

MOF stond er. En verschwinde!

Alleen de sterfdatum was nog zichtbaar.

Roerloos had hij daar gestaan; de hond naast hem met de staart tussen de poten en de kop naar de grond.

Toen bette hij zijn ogen, droogde zijn gezicht met een zakdoek, greep de hondenriem en duwde de rollator het pad af. Zonder om te kijken.

 

Sinds die middag zwijgt mijnheer Schillinger als het graf.

Januari

December

December

Bijna kerst. In mijn huis staat een lege boom. Op de tafel een doos met versiersels. The King Singers op sportify. We wish you een merries Christmas.

Het helpt niet echt.

Het begint al als ik de doos van zolder haal. Alsof het met elke tree opwaarts een beetje donkerder wordt, terwijl toch echt de TL-lamp in de nok van het huis zijn licht over zolder én trap spreidt. 

Maar verlicht voel ik me niet. 

Zelfs de twee porseleinen engeltjes, het vogeltje met gebroken pootje, de zacht glanzende ballen en het klokje dat, tot genoegen van de kleinkinderen, echt klingelt, vrolijken mij niet op. Als een duveltje uit de kerstdoos piekt dat rare gevoel tevoorschijn.

Vraag me niet waarom.

 

Is het de combinatie van het één en het ander? De haastige tijd, die sneller verloopt dan in de andere maanden, het naderende einde van weer een jaar voorbij en het donkere decemberlicht?

Is dat het?

Ik kijk naar de wachtende boom voor de tuindeuren. Nou ja, wàchten … Die boom weet niet eens wat hem te wachten staat.

Die kijkt naar buiten en denkt: Wat doe ik hier?

 

Als tiener overkwam het mij ook wel, dat ik ineens werd bevangen door een melancholie, op momenten die daar niet om vroegen en waarvoor ik geen verklaring had. Ik kon piekeren om niks.

“Kind, ga wat doen,” zei mijn moeder dan. “Dat helpt.”

Ze kreeg gelijk, realiseer ik me nu. Dus begin ik met een mix van gespeelde blijmoedigheid en een dosis tegenzin met het optuigen van de boom en spreek met mezelf af dat ik me niet moet afvragen waar dat gevoel vandaan komt. Dat weemoedige dat zich laat vergelijken met het wakker worden uit een droom waaruit ik juist niet uit had willen ontwaken en dat als een deken over me heen valt.

Door gewoon aan de slag te gaan en mee te neuriën met the King Singers, moet ik me er maar doorheen slaan.

We won't go until we get slome, so bring some right here.

 

Tevreden kijk ik naar de boom. Een heuse kerstboom nu. Manlief komt binnen met koffie en wijst naar de piekloze boom.

‘Ik mis nog wat.’

Ik mis ook wat, denk ik, maar wel iets anders dan jij. ‘Ik twijfel,’ zeg ik en zie vraagtekens in de ogen van mijn geliefde.

We drinken onze koffie.

Ineens weet ik wat me te doen staat. Terug op de zolder open ik dozen en vind wat ik zoek: De zilverwitte ster, ooit gekocht op een rommelmarkt. Het klokje klingelt zacht als ik de ster vastzet op de top van de boom. 

Ik glimlach dwars door de weemoed heen. Mijn moeder heeft nog steeds gelijk. Weg nu met dat gepieker. 

Good tidings we bring to you and your kin …

 

Het glas in de tuindeuren weerspiegelt de boom. Ooit gaf zijn lichtende verschijning betekenis aan bange volken op zoek naar troost. Nu wijst hij naar de naderende Kerst, naar de geboorte van dat Kind dat de hele wereld heeft verlicht. De boom weet weer waarom hij hier is. Hij straalt.

En hij piekt.

 

November

November

November 2007. Ik was bij mijn schoonmoeder in het hospice, keek en luisterde naar haar zoals ze bezig was afscheid te nemen van het aardse leven en daarmee ook van de spullen om haar heen. Ze wees naar het statige uurwerk aan de wand.

‘Die laat ik Koos na,’ zei ze. Een logica die klonk als een klok.

 

Op onze trouwdag schertsten zijn broer en zussen al eens op beeldende wijze de gebruiksaanwijzing van mijn kersverse echtgenoot, waarbij het woord “tijdmaniak” viel, als een van zijn kenmerkende karaktertrekken.

Het is waar: Koos is een man van de klok. Niet door alleen altijd en overal op tijd te zijn, ook zijn persoonlijke fascinatie met Tijd illustreert dat.

Zo was hij na een narcose meer onder de indruk van het feit dat er een uur was verstreken, zonder dat hij daar besef van had, dan met de uitslag van de ingreep. Ook herinner ik me de aanschaf van een antwoordapparaat. Nadat we een beluisterd bericht hadden verwijderd, meldde zich een vriendelijke vrouwenstem met: “rest geheugentijd, vijftien minuten.”

De opgetogen reactie van mijn geliefde zal ik nooit vergeten: ‘Stel je voor, dat het mijn tijd is en je dan hoort: Rest geheugentijd…’

Zo’n man dus.

 

Het is zo’n ouderwetse staartklok, die je moet opwinden en die zich elk half uur laat horen. Zo één die een levenlang meegaat, aldus de juwelier in ons dorp, mits je hem van tijd tot tijd laat schoonmaken.

En dat klokt, eh klopt, merken we ook zelf. Na elke beurt tikt hij de seconden weer vrolijk weg. Nou ja, vrólijk … Zijn slag klinkt wat schor, hij oogt vermoeid en moet ook steeds wat schever tegen de muur hangen om de slinger in de juiste cadans te houden.

Eerlijk gezegd hangt dat ding als een vlag op de bekende modderschuit in onze woonkamer. Totaal niet in overeenstemming met het interieur en de tand des tijds zichtbaar op het versleten houtwerk. Wij zijn wel klaar met de klok van pa en ma.

Maar is de klok dat ook met ons?

 

‘De volgende keer dat hij ermee stopt laten we hem niet meer schoonmaken,’ zeggen we al jaren. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Het is toch de klok van pap en mam, hé? Wat is dan het juiste moment om er afscheid van te nemen? Een rondje familie en vrienden toont dat niemand interesse heeft.

Daarentegen zijn de jongste kleinkinderen wél enthousiast, maar dan op het moment dat de klok stilstaat.

‘Opa, de klo-hok!’

Geboeid kijken ze toe als opa de gewichten één voor één omhoog krikt, het uurwerk laat slaan voor hij de wijzers in de juiste positie plaatst en vervolgens een zetje tegen de slinger geeft.

Ademloos staren ze naar het binnenwerk als opa de zijkant opent en hen optilt om het ingenieuze mechaniek te mogen aanschouwen. Hoe hamertjes en tandjes verleden, heden en toekomstige tijd verslaan is niet uit te leggen. Ook wij weten er het fijne niet van.

Kwestie van klok en klepel.

 

September 2022. We komen thuis van een vakantie. Het valt direct op hoe stil het is in huis.

Gewoontegetrouw windt Koos de klok op. Het getik is ons zo vertrouwd dat we er pas erg in hebben als hij er na zeven minuten alweer mee uitscheidt.

Na nog een zetje gehoorzaamt het uurwerk alsnog. Gaandeweg de generaties aan wie hij zijn diensten levert, gedraagt zo’n klok zich meer en meer als een mens, zo lijkt het wel.

Wij sjouwen tassen en rugzakken naar binnen, zetten koffie, melden de kinderen dat we thuis zijn en zien dan dat de raderen van de klok wederom tot stilstand zijn gekomen.

Een teken aan de wand, menen wij. De klok is nu óók klaar met ons. Dat werd dan ook tijd.

Morgen gaat hij de deur uit. Of overmorgen. Of volgende week.

Hoe dan ook, hij gaat.

 

In de loop van de avond raken we gewend aan de stilte. We negeren een opkomend schuldgevoel en knikken dankbaar naar de wijzerplaat voor we ons bed opzoeken.

‘Rest geheugentijd … nul seconden.’

 

De volgende dag nemen wij de tijd om de dingen te doen waarvan wij vinden dat ze gedaan moeten worden? Of is het andersom: Neemt de tijd ons in beslag en doen we daarom alsof we niet nét terug zijn van vakantie?

Hoe dan ook, halverwege de ochtend galmt er ineens – de wijzers geven notabene kwart voor twaalf aan - een roestige klokslag door het huis.

‘Die slaat er ook maar een slag naar,’ roep ik onthutst.

Verbijsterd zien we de slinger slingeren en horen we de tik tikkeren.

‘Het begin van het einde,’ concludeert manlief. Dàt had hij gedacht.

De klok herpakt zich en begint de verloren tijd in te halen.

Nou zeg, zo kunnen wij geen afscheid nemen. Nog niet tenminste. Niet zolang dat ding blijft doorhameren.

Het is toch de klok van pap en mam, hè? Laat hem dan zelf maar aangeven wanneer zijn tijd is gekomen.

 

We zijn inmiddels twee weken verder.

De klok doet het nog steeds. Voor hoelang? Geen idee.

De tijd zal het leren.

Oktober

Oktober

 

 

Dansen in het flitslicht

opgaan in een monotone dwang 

 

ontsnappen aan de plicht

van het bestaan

oorverdovend lang 

 

lijven in het donker, dicht

opeengepakt 

 

 

echt,

alles is gericht

op het maken van contact.