Lammyskrabbels.nl

Verhalen

Binnenspiegel

Enige algemene kennisgeving van het overlijden van de heer

Walter, Marcus Verwoerd. Vollenhove 14 februari 1923. Zwartewaterland 1 juni 2014

Dhr. H.C.M. Vriezema, Executeur-testamentair te Zwolle.

 

Geen uitvaart. Geen nabestaanden.

Omdat het nu eenmaal gebruikelijk is, vindt er een korte herdenking plaats in zorgcentrum Oeverland. De geestelijke verzorger spreekt van een pijnlijk verleden en van vergeving. Lianne, op de achterste rij, ziet de aula weerspiegeld in het grote raam. Tot het moment dat een bundel zonlicht het wolkendek splijt. Een moment is de Steendijk te zien. De dijk, waar aan het eind bij de oude niet meer werkende sluis, Walters huis staat. De plek waar ze ruim veertig jaar geleden vriendschap sloot met Walters hond.

 

‘Caesar, af.’ De hond zakt onmiddellijk door z'n poten. Als Lianne het hek openduwt, gromt het beest haar tegemoet.

‘Koest.’ Zijn baas klinkt al net zo schorgeblaft. ‘Wat moet dat hier?’

Lianne toont hem de slagerszak. Sinds vandaag is ze vleesbezorger op zaterdag. Haar eerste baantje. Dertien jaar, trots en niet bang voor woeste honden.

Walter woont aan een doodlopende weg, een eind van de bewoonde wereld. Hij laat de boodschappen bezorgen, komt zelden in het dorp en als hij er moet zijn, kijkt hij niet op of om en haast zich uit de voeten.

De mensen moeten hem niet. Althans, volgens Liannes moeder. Er wordt beweerd dat hij een korte tijd geschiedenisleraar is geweest. ‘Honderd procent afgekeurd,’ zegt de één. ‘Ontslagen,’ beweert een ander. Verder doet men er het zwijgen toe. Wanneer iemand na een borrel wat loslippig wordt en roept dat ze de kluizenaar hadden moeten opsluiten, bromt een tegenstander iets over eerherstel en lopen de gemoederen op als een laaiend vuur, tot monden weer op zwijgstand gaan.

Ook Lianne krijgt, ondanks de zaterdagse leveringen, weinig hoogte van de knorrepot. Maar met de hond raakt ze bevriend. De enthousiast zwiepende staart van het dier en de vreugdesprongen die het maakt, zodra Lianne in aantocht is, maken dat Walter het pruimt.

Pas nadat de zwijgzame man wat meer aan haar gewend raakt, durft ze het werkstuk over de tweede wereldoorlog ter sprake te brengen. Ze hoopt iets te weten te komen over een vliegtuig dat boven het erf zou zijn neergehaald. ‘Het is voor school,’ zegt ze als ze zijn afwerende houding ziet. Walter zegt er niets over te weten. Liannes vader meent dat Walter er alles van weet en haar moeder vindt dat ze de stumper met rust moet laten.

Op een dag, als Lianne terugkomt van een rondje met Caesar ziet ze Walter bladeren in het werkstuk, dat ze altijd bij zich heeft voor je-weet-maar-nooit. Twee zaterdagen later vertelt hij over het vliegtuig. Lianne krijgt een acht voor het werkstuk en stopt, als dank, een reep chocola bij het spek en de worst.

Stukje bij beetje ontdooit de norsige man. Wanneer hij Lianne ‘s nieuwsgierigheid opmerkt, deelt hij zijn kennis over vogels met haar, leert haar boogschieten en sporen herkennen. Steeds vaker bezorgt ze Walters bestelling het laatst, zodat ze met Caesar kan rennen en achter de hoge rietkragen met pijl en boog kan oefenen. Ze vertelt het niemand.

 

Nog voor de sluis in beeld komt, hoort ze Caesar blaffen. Het dier rent haar tegemoet, zodra ze het sluispad op fietst. Alsof ze gisteren nog hier was in plaats van een half jaar geleden.

Nu ze geschiedenis studeert woont Lianne bijna twee uur reizen hier vandaan. De bezoeken aan de sluis worden spaarzamer. Wanneer ze een weekend thuis is, moet ze haar tijd verdelen tussen familie, vriendinnen, haar vriend en - als het lukt - Caesar met zijn knorrige baas.

Lianne kriebelt de hond achter zijn oren en loopt naar de schuur. ‘Hoi Walter.’ De man, grijzer sinds ze hem voor het laatst zag, houdt zijn ogen gericht op het mes dat hij langs een slijpsteen schuurt.

‘Als de sluis staat te schudden, weten we dat jij in aantocht bent,’ murmelt hij. ‘Zoals dat beest tekeergaat. Dat kan maar één oorzaak hebben.’

‘Ik ben ‘t weekend weer eens thuis,’ begint Lianne, terwijl ze de vakkundige bewegingen van Walter volgt.

‘En je dacht: Laat ik eens kijken hoe het met die twee sluiswachters is?’

Ze glimlacht. ‘Zo is het.’

In de keuken krult Caesar zich op onder Liannes stoel, terwijl Walter thee maakt. Door het raam ziet ze de hoog opgeschoten rietpluimen, speels onderbroken door glinsterende brokstukjes water. Alsof de zon haar stralen laat dansen op een gebarsten spiegel. Ze staat op en speurt de oever af.

‘Waar is je boot?’

‘Verderop.’ Walter pakt de ketel op. ‘Langs het land van de nieuwe bewoners daar. Mensen uit Friesland.’

‘Zijn de oude buren vetrokken?’ Walter, zijn rug naar haar gekeerd, aarzelt.

‘Het ging mis met de boer na het ongeluk van zijn vrouw. Het kostte hem op ’t laatst zijn bedrijf. Gedwongen verkocht.’ In de spiegel ziet Lianne hoe Walters mond een nijdige streep vormt. Tot zover, betekent dat. Geen vragen meer stellen.

 

Als Lianne jaren later op een maartse zaterdagmiddag weer eens het sluispad op fietst, merkt ze direct dat er iets mis is. Caesar blaft haar niet tegemoet, Walter is niet in de schuur, niet in de keuken en niet op het erf. Ze negeert de hondendeken die over de heg hangt. Het is vreemd stil bij de sluis. Lianne aarzelt. Zal ze weggaan en later terugkomen? In plaats daarvan loopt ze de oever op. Nu ze hoger komt ziet ze de boerderij van Walters buren. Op het erf spelen kinderen. Hun stemmen ijlen weg in de wind. Een vrouw haalt wasgoed van de lijn. Verder weg, aan de andere kant van het water, loopt een man. Walter. Lianne roept, zwaait. Na een minuut of wat kijkt hij op. Als hij haar herkent zet hij koers naar de sluis. Over de smalle plank boven het water schuifelt hij haar tegemoet. Caesar is in geen velden of wegen te bekennen. Lianne huivert.

Ze gaat bij het raam in de keuken zitten. Haar voeten schuifelen over de lege plek onder de stoel. Walter loopt naar het aanrecht en draait de kraan open.  ‘Jouw grote vriend heeft ons verlaten,’ zegt hij. ‘Een tumor achter zijn ogen deed hem de das om.’ Het klinkt onaangedaan, maar Lianne ziet hoe zijn schouders zich krommen. ‘Caesar heeft nauwelijks geleden. Hij was bijna vijftien.’

Lianne huilt geluidloos. Walter zucht en blijft even staan, met een ongemakkelijke blik in zijn ogen. Dan recht hij zijn rug en zet een glas water voor haar neer. Na een paar slokken zakt de pijn in haar borst langzaam weg.

Walter weet niet hoe hij het gemis met haar moet delen. In de maanden daarna lijkt het wel of hij Lianne stukje bij beetje vergeet. Hij wordt weer de eenzame zwijger. De boog verstoft in de schuur. Lianne richt haar pijlen op haar werk, op vriendinnen, op Caspar, haar zwarte Retriever, die een pup van Caesar had kunnen zijn.

 

Dagen, weken en maanden doen de jaren voortsnellen. 

Vriendschappen komen en gaan. Caspar blijft, net als Jean, waarmee Lianne twee kinderen krijgt.

Niet lang nadat haar moeder is verhuisd naar Oeverland en ze via de tuin op weg is naar de parkeerplaats, ziet ze hem zitten. Hoewel de tijd zijn sporen heeft nagelaten, herkent ze Walter onmiddellijk. Kleumerig zit hij op een bank. Een dichtgevouwen krant op zijn knieën. Ze schuift naast hem. ‘Walter, dat ik jou hier tref.’ Het duurt even voor een zweem van herkenning over het gegroefde gezicht glijdt.

‘Jij,’ murmelt hij, ‘jij en Caesar, dikke vrienden.’ Dan komt ook een glimp geschiedenisleraar tevoorschijn. ‘Dat was in de tijd van de Koude Oorlog.’

Ze praten, eerst aarzelend, zoekend, tastend naar woorden. Over de tuin, de vogels, die duikvluchten nemen boven het water, waarin witwollen wolken spiegelen. Maar als Lianne over Oeverland begint, of over het dorp, vormt Walters mond een streep.

 

 Na elk bezoek aan haar moeder, die dieper wegzinkt in een moeras van vage herinneringen, zoekt Lianne hem op. Een foto van Caesar helpt haar herinneringen op te diepen uit zijn op zwijgzaamheid geënte brein. Herinneringen aan de zaterdagmiddagen met de hond, de vogels, de sporen, de pijlen en boog. Het personeel ziet het verwonderd aan. ‘Er komt nooit iemand bij hem,’ zegt een verzorgende. ‘Hij schijnt wel familie te hebben, maar zonder contact.’

Dat Walter nu hier woont. Lianne vraagt zich af hoe ze dat voor elkaar hebben gekregen. Hoewel hij er geen woord aan vuil wenst te maken, merkt ze dat het tegen zijn zin is. Soms wandelt ze met haar moeder in de rolstoel naar zijn vaste plek in de tuin. De oude dame heeft geen idee wie hij is.

Dat is maar beter zo, denkt Lianne, al heeft ze daar geen verklaring voor.

 

Op een zonnige dag in oktober sterft Liannes moeder. Vredig sluimerend in het bijzijn van haar kinderen glijdt zij hun wereld uit, nadat ze mompelde dat het leven goed voor haar is geweest.

‘Ik mis vader.’ Haar laatste woorden.

Nadat de uitvaart is besproken, neemt Lianne zich voor Walter te blijven bezoeken. Daar steekt hij een stokje voor. Op de dag van haar moeders begrafenis, ontdekt ze, aan het prikbord in de hal, het notarisbericht tussen posters over uitstapjes en het werven van vrijwilligers.

‘Ik wilde u bellen,’ zegt de receptionist, ‘om u te informeren. U bezocht hem soms, toch? Maar ik dacht, nu met uw moeder; het leek me beter te wachten tot na de begrafenis.’

‘Het is goed.’ Lianne spreekt zichzelf tegen. Het steekt haar dat ze het bericht bijna over het hoofd heeft gezien. Dit doet op een ongemakkelijke manier pijn en het voelt anders dan het verdriet om haar moeder.

Een medewerker had Walter een paar dagen eerder halverwege de ochtend in bed aangetroffen. Ongebruikelijk. Zelfs wanneer de griep hem in de greep had, stond de oude man nog bij het vroegste daglicht op. Nu bleven, behalve de gordijnen, ook zijn ogen gesloten.

Haar moeder heeft ze liefdevol kunnen laten gaan, bedenkt Lianne, maar Walter is haar ontsnapt.

Met het afdelingshoofd spreekt ze af de spullen uit haar moeders kamer te verhuizen, voorafgaand aan de herdenkingsbijeenkomst voor Walter. Wonderlijk hoe beide levens elkaar kruisen. Zijzelf als schakel in een vastgeroest snoer. Haar leven heeft ze met haar moeder mogen delen vanuit een vanzelfsprekende, liefdevolle, familieband. Met Walter deelde zij de liefde voor Caesar. Verder dan het huisje aan de sluis, de schuur met pijlen en boog en de hond kwam het niet. Het grootste deel van zijn leven blijft een mysterie. Is het omdat ze nooit vragen stelde, waardoor er toch een band is ontstaan tussen het meisje dat ze was en de oude eenzaam levende knorrepot? Ze zoekt al lang geen antwoorden meer. Sommige raadsels blijven liever geheim.

 

De lucht is grijs geworden. De lampen in de aula branden al. Regendruppels op het glas vervormen de Steendijk. Liannes herinneringen aan de sluis, de hond en zijn baas verdrinken erin. De buitenwereld onttrekt zich aan haar, alsof ze in een beslagen spiegel kijkt.

Er is een handjevol mensen bij de herdenking. Een verpleegkundige, iemand van het notariskantoor, enkele dorpelingen en drie bewoners van Oeverland.

Nog eenmaal wordt Walters leven tegen het licht gehouden, in het bijzijn van ‘wie er het zijne van vindt en van wie mild en zonder oordeel is.’ Als de voorganger is uitgesproken vult muziek van Strauss de ruimte en leest de domineesvrouw een gedicht voor. Er is geen lichaam om te begraven. Walter laat het na aan de wetenschap.

‘Toch een boetedoening,’ zegt een dorpeling na afloop tijdens de koffie. ‘U vond 'm vast zielig, maar die man was hartstikke fout in de oorlog.’

De koffiekop valt uit Lianne ‘s handen, het bruine vocht glijdt over haar schoot. Ze merkt niets van de hete gloed op haar benen, maar voelt wel alle kleur wegtrekken uit haar gezicht. Vol afgrijzen staart ze naar de vrouw, naar dat mens dat haar wereld doet kantelen.

Ineens wil ze weg. Weg van Oeverland, het dorp uit. Weg.

Handen houden haar tegen, poetsen over haar kleren. Monden praten tegen haar, ogen tasten haar gezicht af. Iemand houdt haar een glas water voor. Ze ziet niets, voelt niets. Er is alleen die stem. Ze hoort wat ze niet wil horen. ‘Hij werkte voor de Sicherheitsdienst; sommigen heeft ie..’

Geschokt rent ze de kantine uit.

Op de begraafplaats vindt ze zichzelf terug. Leunend tegen een kastanjeboom wacht ze tot het bonken in haar borst afneemt. Gedachten tollen rond. Woorden gesproken in de aula vermengen zich met flarden van toen. Ze hoort haar vader weer, de dominee, Walter, die vrouw. Stemmen verdringen elkaar. Ze duwt haar handen net zo lang tegen haar oren tot een roezemoezend suizen overblijft. Ze ademt een paar keer diep in en uit. Pas dan ziet Lianne de vredige zerken, het geruststellende groen en de vijver, die niets dan lucht weerspiegelt.

Er zal geen graf zijn, geen urn of steen. Niets.

 

Nadat Lianne haar auto op het doodlopende pad heeft geparkeerd, komt de verwarrende gedachtestroom tot stilstand. Ze stapt uit. De geur van nat gras mengt zich met de vage lucht van stilstaand slootwater. Het ruikt naar vroeger.

De oude sluis wacht, net als het scheve huis, waar een hek met een waarschuwingsbord, ‘Verboden voor onbevoegden’ omheen is geplaatst. Ze tuurt door het hek. Tussen de schuur en het water is een enorm gat gegraven.

‘Hé daar.’ Langs het smalle dijkpad komt een man aangelopen.

‘Bent u verdwaald?’ Als hij bij haar is wijst hij naar een strodak, net zichtbaar boven de glooiende dijk. ‘Wij zijn de buren. Mijn naam is Joris. Kan ik u helpen misschien?’ Lianne herkent hem. Hij was die middag bij de herdenking. Ze stelt zich voor en vertelt hoe ze hier als tiener terecht kwam en met Caesar speelde.

‘Walter was onze buurman, ‘zegt Joris. ‘Wij hebben sinds een jaar een zorgboerderij en hadden hem wel in ons midden willen hebben, maar hij wilde thuisblijven. Ook toen het niet meer ging.’ Joris schudt zijn hoofd. ‘Toen had hij niets meer in te brengen. Wij ook niet, overigens.’

‘Een eigenwijze mopperkont, maar erg eenzaam, ‘vult Lianne aan. Nu zou ze door kunnen vragen. Wat weet deze Friese boer nog meer van Walter? Ze zwijgt.

‘Uit dat grote gat is een bom opgegraven.’ Joris wijst. ‘Verderop moeten nog resten van een Britse bommenwerper liggen. Daarom dat hek en het bord.’ Hij grinnikt. ‘Onze jongens speuren het liefst de bodem af met hun detectoren, als wij hen niet zouden tegenhouden.’

‘Walter heeft mij leren boogschieten.’

Lianne vraagt zich af waarom ze dit vertelt. Verrast kijkt Joris op.

‘Werkelijk? Ja, het was een wonderlijk heerschap. Er gingen verhalen over hem. Maar dat was vroeger. Toen de oorlog uitbrak moet hij een jaar of dertien, veertien geweest zijn. Dat wordt wel eens vergeten.’

Hij steekt twee vingers in zijn mond en fluit. De kop van een Bordercollie verschijnt boven de rand van de dijk. Met een vaart komt het dier aangerend en dolt om hen heen. Lianne krabt hem achter zijn oren.

‘Dit is Sjors,’ lacht Joris. ‘Sjors waarschuwde Walter, toen onze rietkap in brand stond en wij niet thuis waren. Walter belde de brandweer en haalde waardevolle spullen uit ons huis. Zijn arm en rug zijn nooit helemaal genezen.’ Joris doet zijn hond de riem om. ‘Maar die man was zo vreselijk eigenwijs. Hij wilde geen hulp, geen ziekenhuis.’ Hij zucht en staart naar de krater op Walters erf. ‘Pas sinds die bomresten zijn opgeruimd, begrijp ik wat meer van de kluizenaar.’

Lianne houdt haar adem in.

‘Het moet in de winter van vierenveertig geweest zijn. Walters moeder en zusje waren op slag dood,’ gaat Joris verder. ‘Wist u dat? Zijn vader raakte zwaargewond en er was niet zo snel een arts te vinden die hem wilde behandelen.’ Lianne slikt. De schok van wat ze die middag had gehoord, golft weer op.

‘Ik weet het, een foute familie in een verkeerde tijd.’ Ze klinkt schor.

‘Als ik het goed heb begrepen, heeft een voormalige Duitse legerarts, die naast de kazerne in de stad woonde, de man in huis genomen. Walter had zich verstopt in het riet. Gebroken en vol bitterheid keerde zijn vader weken later terug. De bom kwam van het westen, hè? Walter zorgde voor zijn vader wat traumatisch voor de jongen geweest moet zijn. Volgens zeggen.’

De stilte suist om hen heen. Sjors likt haar handen, terwijl Lianne’s gedachten teruggaan naar de zaterdagmiddagen. Ze ziet weer hoe Walter haar werkstuk leest en hoe hij, eerst met tegenzin, van het vliegtuig vertelt. Over zijn leeftijd en zijn vader had hij gezwegen.

In haar verbeelding vergroeit het beeld van de jongen met de mopperige, eenzame bewoner van het voormalige sluiswachtershuis.

‘Walters vader stierf kort na de bevrijding.’ Terwijl Joris de hond streelt, dwaalt zijn blik over het omheinde erf. ‘Voor mijn gevoel kun je de keuze van die man niet in de schoenen van zijn zoon schuiven, maar daar wordt in het dorp verschillend over gedacht.’

Lianne volgt zijn blik. Het oude sluiswachtershuis, scheefgezakt tussen de woekerende struiken, oogt vriendelijk. Alsof het haar herkent.

‘De jongen was godzijdank te jong om vervolgd te worden, hoewel, sommige dorpelingen..’

Joris beweegt zijn schouders alsof hij iets van zich afschudt. ‘Maar wilt u niet even meekomen naar de boerderij? Wat drinken misschien?’

Lianne aarzelt. ‘Vriendelijk aangeboden, maar ik blijf liever nog even hier, als u dat niet erg vindt.’

Joris lacht. ‘Mocht u in de buurt zijn, altijd welkom.’ Ze geeft hem een hand.

‘Ik wil u bedanken.’ Ze klinkt beheerst. ‘Voor wat u me zojuist heeft verteld.’

Ze kijkt Joris en Sjors na tot ze opgaan in de horizon. Als Sjors blaft, is het of ze Caesars hoort.

 

Haar ogen tasten de omgeving af. Het is een mooie, stille plek. Walter was een fijne baas voor zijn hond, een waakzame buurman en geduldig met haar. Ze zou over het hek willen klimmen en in de schuur op zoek gaan naar de pijlen en boog, maar het bord aan het hek straalt onverbiddelijkheid uit. Ondanks alles schiet ze in de lach. Verboden voor onbevoegden. Als Walter dat eens wist.

Dan draait Lianne het hek, het scheve huis, de schuur en de bomkrater de rug toe. De van onder tot boven volgestouwde auto wacht. Zelfs de binnenspiegel is bezet. Ze moet een paar keer heen en weer steken om de wagen te kunnen keren, terwijl ze de zijspiegels nauwlettend in de gaten houdt. Omringd met haar moeders dierbaarheden, draait ze de Steendijk op.

Achteruitkijken heeft geen zin.