Lammyskrabbels.nl

Verhalen

Code Rood

Te laat heb ik in de gaten dat het verkeer verderop stil staat. Omkeren is geen optie in deze eenrichting straat. Als ik beter had opgelet, had ik een sluiproute kunnen nemen. Het is onrustig buiten. Een toenemende wind jaagt de bladeren voor mij uit. In de goot hoopt het straatvuil zich op. Ik zet de cd-speler aan. Liedjes van weleer. Muziek onthaast.

Dan komt er stapvoets beweging in de file. Een bouwsteiger neemt de stoep in beslag, waardoor voetgangers de straat op moeten en fietsers alle kanten uitschieten. Een stuk plastic flappert driftig tegen de gevel. Het lawaai van een boor overstemt Ralf Mc Tell ‘s ‘Streets of London.’ Er wordt gewerkt aan een pand dat bouwvallig oogt.

Een vrouw in een nauwe versleten spijkerbroek duwt moeizaam een volgestouwde winkelwagen de stoep af. Ze ziet de Opel met aanhanger niet aankomen. De bestuurder wijkt uit, maar kan niet voorkomen dat de linker bumper tegen een paaltje schampt en de buitenspiegel met een flinke klap een straatlantaarn raakt. Het glas versplintert tot minuscuul gruis. Opnieuw komt de rij tot stilstand. Knarsend en toeterend.

Woedend stormt de automobilist zijn wagen uit. De vrouw laat van schrik de winkelkar los, die doorrolt, tegen de stoeprand aan de overkant botst en omslaat. Blikjes, plastic flessen, dozen en zakken belanden op straat, tussen de ronddwarrelend bladeren.

‘Kijk toch uit, mens?’ tiert de man. ‘Stom wijf. Muts.’

De vrouw heft theatraal haar armen omhoog. Verbouwereerd kijkt ze om zich heen, bukt zich en begint haar spullen op te rapen. Eén voor één mikt ze alles terug in de kar. Het gaat langzaam, alsof ze geen erg heeft in de ergernis, die als een grijze deken boven de straat hangt.

De rij achter mij groeit. Ongeduldige fietsers zoeken een uitweg en een passerende voetganger wijst naar zijn voorhoofd. Ik negeer het smekende getoeter, zet het alarmlicht aan en stap uit. Er kan nu toch niemand meer voor- of achteruit.

Grimmig hoofdschuddend werpt de gedupeerde automobilist een blik op de vrouw, die rood aangelopen naar de overkant sjokt, waar de wind een pak zakdoekjes de goot in heeft gejaagd. De vrouw durft niet op of om te kijken. Denk ik.

Op dat moment komt één van de bouwvakkers van de steiger en loopt op de scheldende chauffeur af. Zodra deze hem aan ziet komen, stopt hij met schreeuwen, richt zich op, armen breeduit langs zijn lijf, alsof hij zeggen wil: Kom maar op.

Ik vrees het ergste en bid dat de troep van de straat is, voor het hanengevecht losbarst. Haastig duw ik de vrouw-met-kar de stoep op, intussen een brood oprapend. Een fietser stapt af en vraagt of hij kan helpen.

‘Rot op, jij,’ schreeuwt de gedupeerde bestuurder. Het is niet duidelijk of hij het tegen de hulpvaardige fietser heeft of tegen de bouwvakker, die met grote stappen op hem afkomt.

De automobilist, in de auto achter die van mij, telefoneert. Anderen stappen uit en kijken nieuwsgierig toe. Spanning hangt in de grauwe lucht. Op de voortjagende wolken na lijkt de wereld tot stilstand gekomen.

Ik zou de politie kunnen bellen, maar mijn telefoon ligt in de auto. Vanaf de stoep kan ik slechts toekijken hoe de boel straks ontploft.

Bouwvakker en chauffeur naderen elkaar. Mijn hart bonkt. Ik houd niet van vechtjassen. Ik moet alarm slaan, dit is code rood. Maar ik doe niets. Ik sta als vastgeroest op de stoep, naast de zacht jammerende vrouw. De man van de Opel doet een stap naar voren, zijn kin omhoog. De bouwvakker komt op hem af en steekt zijn hand uit.

‘Goeiedag meneer. De schade valt mee, zo te zien?’

De verbouwereerde chauffeur staart naar de bouwvakker, kijkt dan om zich heen, alsof hij zich afvraagt of hij de enige is die zich heeft laten verrassen door het onverwachte gebaar en pakt vervolgens de uitgestoken hand aan.

Een zucht ontsnapt me. Goddank, de angel is eruit.

Een slungelige jongen stapt van zijn scooter af. Gedrieën bekijken ze de Opel. De knul buigt de spiegel recht, hoewel er door het versplinterde glas geen barst in te zien is.

De bouwvakker heeft meer in zijn mars, dan slopen. Hij biedt de chauffeur aan de bumper te repareren. De enigszins tot bedaren gekomen man werpt een blik op de vrouw. Van een kale kip valt niet te plukken, zie ik hem denken. Zo te zien laat hij het er maar bij zitten. Hij vist een kaartje uit de zak van zijn colbert, overhandigt dat de bouwvakker, die het bijna achteloos in zijn broekzak laat glijden.

De fietser herkent ineens de scooterknul. Ze slaan elkaar lachend op de schouders.

Terwijl de chauffeur zijn licht beschadigde wagen een zijstraat in manoeuvreert, maant de bouwvakker de wachtenden om door te rijden.

‘Wacht even,’ zeg ik tegen de vrouw, die nog altijd naast me op de stoep staat te bibberen. Mijn auto parkeer ik een stuk verder, op de stoep, zodat het verkeer er langs kan.

‘Even die dame op weg helpen,’ roep ik tegen de bouwvakker, die als een geroutineerde regelaar het verkeer naar zijn hand zet. Als laatste passeert een agent op zijn dienstfiets. Zodra de scooterjongen hem ziet komen, gaat hij er vandoor, de fietser verbluft achterlatend.

Vergeefs strijkt de vrouw haar blonde haren uit het gezicht. De harde wind is meedogenloos.

Wanneer alle auto’s gepasseerd zijn en de vrouw, de winkelwagen voor zich uitduwend, haar weg vervolgt, klimt de bouwvakker de steiger op, alsof er niets gebeurd is.

Een storm in een glas water.

 ‘U hebt de situatie mooi gered.’ Ik loop naar hem toe. Hij grijnst.

‘Ach, mevrouwtje, nog niet zo lang geleden was ik erger dan die kerel van daarnet. Met een superkort lontje en een drie keer zo grote bek, leek ik een vat springstof, dat elk moment kon ontploffen.’ Hij draait zich om.

‘Echt waar. Nog geen jaar geleden had je me niet zo lief aangekeken.’ Hij knipoogt ontwapenend.

‘Wat is er gebeurd? Heeft u de Nobelprijs brandjes-blussen gewonnen?’

’k Heb het af moeten leren. Schade en schande, zogezegd.’ Hij knikt richting de zijstraat waarin de Opel is verdwenen. ‘Ik herken die woede en onmacht maar al te goed, ziet u.’

Snel klimt hij verder, stapt bovenaan de steiger op, zakt op zijn hurken en zet beide handen als een toeter voor zijn mond.

‘Drank maakt alles kapot, ‘roept hij. ‘Ik ben ervan af. Voorgoed. Niet verder vertellen hoor.’

De bulderende lach van zijn collega, die vanuit een raamloos venster toekijkt, davert tegen de gevels. Ik steek mijn duim op. Fluitend hervat de bouwvakker zijn werkzaamheden.

                                                                      

Met een half uur vertraging rijd ik de straat uit en draai de doorgaande route naar de snelweg in.

‘She's no time for talking, she just keeps right on walking.’ Ralf Mc Tell vervolgt zijn lied. Een billboard toont een gelikte foto van de saneringsplannen die deze wijk te wachten staat. Flats zullen plaats maken voor laagbouw en groen.

De auto’s voor me remmen af, als het verkeerslicht op rood springt. Terwijl ik de wagen laat uitrollen, zie ik de vrouw in de wijde mantel weer. Ze staat bij een flatgebouw langs de parallelweg, te morrelen aan de deurklink van een garagebox. Haar winkelwagen valt nauwelijks op tussen het onbeheerst tierende onkruid, de uitpuilende containers en het afval ernaast. Een groot stuk karton danst in de wind.

De vrouw duwt de deur omhoog, trekt de kar naar binnen en komt terug met een lange stok vol haken en ogen. Op haar tenen wiebelend haakt ze de stok aan de klink. Langzaam zakt de deur omlaag. Hoewel het te ver is, verbeeld ik me het geknars van het verroeste staal te horen.

Het licht springt op groen. Ik sluit aan bij mijn voorganger.

‘Let me take you by the hand ad lead you trough te Streets of London, I’ll show you something..’ Er komt geen eind aan het refrein. Ik klik de cd-speler uit en doe de radio aan.

Stukje bij beetje onttrekt de vrouw zich aan mijn oog. Nu pas zie ik de veel te grote regenlaarzen, die ze draagt.

Eindelijk bereik ik de kruising die me naar de snelweg leidt. Mannen in veiligheidshesjes rapen verwaaide takken van de weg. Hun haren staan rechtop in de straffe wind. Grijsgrauwe wolken jagen rusteloos voort.

Ineens voel ik haast. De vrouw verdwijnt naar het verleden. Het nieuws van twaalf uur vult de ruimte.

‘Gedurende de ochtend heeft heel Nederland te maken met zeer zware windstoten tot maximaal 120 kilometer per uur. Met name in de kustgebieden. Daarvoor heeft het KNMI een waarschuwing afgegeven en code rood afgekondigd.’

Het verkeerslicht springt van groen op oranje. Ik trap het gaspedaal stevig in en maak dat ik wegkom.

Voor het rood wordt.