Lammyskrabbels.nl

Columns

Spookvogeltje

In onze tuin, de boom naast ons huis, de dakgoot misschien, huist een bijzonder vogeltje.

Van tijd tot tijd tjilpt het luid en duidelijk, ook ’s avonds, zelfs ’s nachts een paar keer en dat is vreemd. Vogels kwinkeleren toch niet in het donker? Misschien is het gewond geraakt, ziek zwak en misselijk. Of voelt het zich in de steek gelaten. Kunnen vogels zoiets als een burn-out hebben, of zich eenzaam voelen?

Hoe dan ook, het roept ons.

We speuren tuin, dakgoot en omringend groen af op zoek naar angstig fladderende vleugels. Behalve wat mussen, vinken, twee merels en een spreeuw is er geen andere vogel te bekennen, laat staan een gewond exemplaar. Bovendien tjilpen die anderen niet zo nadrukkelijk als dit sneue exemplaar.

Argwanend bekijk ik de buurtkatten, die onder de auto vandaan stuiven. Geen sporen van vogelrestanten, geen veertje. Niets. Als één van hen mij een indringende blik toewerpt, die ik niet anders kan interpreteren als ‘moet je wat van me?’ vertrouw ik het voor geen cent.

Er is nog iets eigenaardigs aan deze situatie: het vogeltje tjilpt altijd maar één keer. Nooit twee, drie of zeven keer achter elkaar. Nee, één korte doordringende tjilp, dat soms zelfs dwars door de wereld-draait-door en het nieuws te horen is.

Misschien is er met mij iets mis en hoor ik getjilp, zoals anderen stemmen ervaren en zie ik ze vliegen, bij wijze van spreken. Echter, manlief, altijd nuchter en kalm, hoort het ook.

 

Hij raadpleegt een collega die verstand heeft van alles wat vliegt en fladdert.

Het zou wellicht een roodborstje kunnen zijn, aldus de collega, gezien het nogal solistische optreden en de tijd van het jaar. En dat het getjilp in het donker te horen is, schijnt voor te komen bij roodborstjes. Alleen die ene tjilp steeds, daar heeft ook deze vogelkenner geen verklaring voor.

Dat we met een ziek geval te maken hebben laten we maar los. In de verwachting dat we vast nog wel eens oog in oog komen te staan met dit spookvogeltje, zoeken we niet verder en glimlachen even, zodra zijn tjilp ons begroet.

Tot die ene avond.

 

Terugreizend na een concertbezoek in Utrecht grabbel ik in mijn tas, op zoek naar wat te eten. Het is vol en rumoerig in de treincoupé. Als op niet mis te verstane wijze de inmiddels vertrouwde tjilp onze oren bereikt, kijken we elkaar verbouwereerd aan.

En dan dringt het langzaam tot me door.

Speurend in het menu van mijn mobiel ontdek ik dat niet de door mij ingestelde ‘tinklebells’, maar het meldtoontje daaronder staat aangevinkt. Vraag me niet hoe dat gebeurd kan zijn, maar ik weet nu waar het roodborstje zich schuilhoudt. Vol ongeloof vink ik het nog eens aan, alsof ik naar een plausibele verklaring zoek, die mijn domheid afzwakt. En tot hilariteit van mijn echtgenoot is daar ons roodborstje weer. Niet een, niet wee, nee wel drie keer achter elkaar. Tjilp, tjilp, tjilp.  ‘Tweet,’  zo heet deze toon.  

 

Ik zou er bijna van gaan twitteren.