Lammyskrabbels.nl

Verhalen

Kennismaken met Wendall

Het is half negen in de ochtend. De kiosk is nog niet open. De verkoper heeft zich weer eens verslapen. Wendall wil niet wachten.  Het is twintig minuten lopen naar de dichtstbijzijnde supermarkt. Zijn lijf, stram geworden van een nacht op een harde ondergrond, kan wel wat beweging gebruiken. Bovendien zou het wel eens de laatste droge dag kunnen zijn. Hij zet de pas er stevig in. Een lichte nevel hangt nog boven de nog schemerige straten. Op de geparkeerde auto’s onder het mistige licht van de straatlantaarns glinsteren dauwdruppels. Als hij zijn ogen toeknijpt, verbeeldt hij zich dat het kleine gevallen sterren zijn, die na een spetterende landing ontdekken dat het heelal oneindig ver van hen is afgedreven en dat ze niet meer terug kunnen keren naar waar ze vandaan komen. Zoals de kinderen in dat rode bakstenen gebouw, lang geleden. “Kindervreugd.” Jongens en meisjes die, net als hij, op een dag beseften dat er geen weg terug was, dat er niet meer op hen werd gewacht en dat het woord “thuis” even nietszeggend was als een straatnaambord in een onbekende stad. Hij mag dan alleen zijn, aan eenzaamheid doet hij niet, vindt hij zelf.

Het is lang geleden dat hij zich verloren heeft gevoeld. Een tijd waar hij niet graag aan terug denkt. Aan de jaren die hij doorbracht tussen brutale en te snel volwassen wordende jongens, met wie hij een slaapzaal deelde, kleven herinneringen die hij liever kwijt dan rijk is. Zelfs het afgelopen jaar, toen hij alles achterliet en leerde leven met niets dan wat hij bij zich had, zelfs dan is het leven te verkiezen boven de jaren in “Kindervreugd.” Behalve de kokkin is er niets dat hem ernaar doet terugverlangen. Josefien was de enige met wie hij een band had en voor wie hij graag in de moestuin werkte. Zij was de enige die hem een aai over zijn bol gaf. Als een engel kwam ze uit de hemel en landde op precies de goede plek: aan zijn voeten. In de tuin van “Kindervreugd.” 

Het is half negen in de ochtend. De kiosk is nog niet open. De verkoper heeft zich weer eens verslapen. Wendall wil niet wachten.  Het is twintig minuten lopen naar de dichtstbijzijnde supermarkt. Zijn lijf, stram geworden van een nacht op een harde ondergrond, kan wel wat beweging gebruiken. Bovendien zou het wel eens de laatste droge dag kunnen zijn. Hij zet de pas er stevig in. Een lichte nevel hangt nog boven de nog schemerige straten. Op de geparkeerde auto’s onder het mistige licht van de straatlantaarns glinsteren dauwdruppels. Als hij zijn ogen toeknijpt, verbeeldt hij zich dat het kleine gevallen sterren zijn, die na een spetterende landing ontdekken dat het heelal oneindig ver van hen is afgedreven en dat ze niet meer terug kunnen keren naar waar ze vandaan komen. Zoals de kinderen in dat rode bakstenen gebouw, lang geleden. “Kindervreugd.” Jongens en meisjes die, net als hij, op een dag beseften dat er geen weg terug was, dat er niet meer op hen werd gewacht en dat het woord “thuis” even nietszeggend was als een straatnaambord in een onbekende stad. Hij mag dan alleen zijn, aan eenzaamheid doet hij niet, vindt hij zelf.

Het is lang geleden dat hij zich verloren heeft gevoeld. Een tijd waar hij niet graag aan terug denkt. Aan de jaren die hij doorbracht tussen brutale en te snel volwassen wordende jongens, met wie hij een slaapzaal deelde, kleven herinneringen die hij liever kwijt dan rijk is. Zelfs het afgelopen jaar, toen hij alles achterliet en leerde leven met niets dan wat hij bij zich had, zelfs dan is het leven te verkiezen boven de jaren in “Kindervreugd.” Behalve de kokkin is er niets dat hem ernaar doet terugverlangen. Josefien was de enige met wie hij een band had en voor wie hij graag in de moestuin werkte. Zij was de enige die hem een aai over zijn bol gaf. Als een engel kwam ze uit de hemel en landde op precies de goede plek: aan zijn voeten. In de tuin van “Kindervreugd.”