Lammyskrabbels.nl

Verhalen

Het olifantenpaadje

Eeuwen geleden trokken een jongen en een meisje met emmers op hun ruggen door een dichtbegroeid bos en over een uitgestrekte heide. Elke dag haalden ze water uit een beek, mijlenver bij de nederzetting vandaan. Zodra ze het bos uitkwamen pauzeerden ze, aten en dronken wat en keken zuchtend naar de heidevlakte, die ze moesten oversteken en waar maar geen eind aan leek te komen. Daar, op de grens tussen licht en schaduw leek de horizon verder dan ooit.

De terugweg was zwaar. De woeste heide was het gevaarlijkste deel van de tocht. En er mocht geen druppel van het kostbare water verloren gaan. Ze waren jong. Hooguit een jaar of tien. Ze waren ook slim en gaven onderweg hun ogen goed de kost.

Op een dag, ze hadden de emmers gevuld en waren net aan de terugtocht begonnen, zag de jongen afdrukken in de aarde die een spoor leken te vormen en vreemd genoeg onder de struiken door liepen. Omdat de zon in deze dichtbegroeide wereld geen schijn van kans had, bleven de afdrukken enigszins zichtbaar in de modderige aarde. Pootafdrukken van wilde honden, wolven misschien. Dieren die in roedels leefden. Dit moest welhaast een deel van hun route zijn.

De jongen, die een goede speurneus had bekeek het spoor. Een echt pad kon je het niet noemen. Toch was goed te zien dat het van hier naar ergens leidde.

Ze keken elkaar aan. Zullen we?

Boven de heide zinderde de zon. Onder de gevulde emmers kromden hun ruggen. Ze hadden niets dan water te verliezen. Allebei hadden ze het gevoel dat dit paadje op hen had gewacht en daarom waagden ze het erop.

Het was niet gemakkelijk, maar dat ze de heide niet op hoefden, maakte veel goed. Soms moesten ze zich vastgrijpen aan overhangende takken, of er juist onder door kruipen. Dan weer klauterden ze over rotsen en steile hellingen. Pas toen ze het bos uitkwamen en in de verte de contouren van de hutten zagen, drong het tot hen door dat ze een nieuwe weg hadden gevonden.

Een zogenaamd olifantenpaadje.

Vanaf die dag namen de jongen en het meisje dat onaanzienlijke weggetje. Nu de route ingekort was, gingen soms ook broertjes en zusjes mee. Dan verdeelden ze de last of namen voor twee dagen water mee terug. Bij zwaar weer konden ze schuilen. Hagel en bliksem boven de vlakte hoefden ze niet meer te vrezen. Gaandeweg weken de struiken langs het paadje uiteen. Als een erewacht voor de dappere waterdragers. De zon droogde de modder. Het weggetje werd breder. Het olifantenpaadje groeide uit tot een begaanbaar pad.

 

De tijd verstreek. De jongen en het meisje werden volwassen en trokken naar andere oorden. De nederzetting werd een dorp. Met een waterput. Niemand hoefde nog met emmers naar de beek te sjouwen. De struiken bogen zich weer naar elkaar toe. De zon kwam er niet meer aan te pas.

De weg begon weer op een olifantenpaadje te lijken.

 

Op een dag kroop een schaapherder onder het woekerende gebladerte van een krom gegroeide boom. Hij drapeerde zijn mantel over twee takken, zodat hij er onder kon schuilen tegen de striemende regen. Hij had zijn schapen even daarvoor naar de stal gebracht. De hemel kleurde als de nacht. Boven de hei, iets verderop, flitste en donderde het. De man maakte zich klein, vouwde zijn handen en sloot zijn ogen. ‘God bewaar mij.’

Gelukkig wist hij zijn schapen veilig onderdak.

Na een half uur was het noodweer voorbij. De man wrong zijn mantel uit en dankte God. Net voor hij zich wilde omdraaien om in de richting van de heide te lopen, zag hij sporen en voetafdrukken die vanaf de kromme boom een pad leken te vormen. Hij keek nog eens goed en ontdekte dat hier, ergens in vervlogen tijden, dieren hebben gelopen.

En mensen. Kleine mensen. Trollen? Kinderen?

Inmiddels kleurde de hemel licht. Het spoor volgde de richting naar het dorp. Zolang hij de bosrand in het oog hield hoefde hij niet te verdwalen. Nieuwsgierig volgde de man de hoef- en voetafdrukken. Opgelucht dat hij de gevaarlijke heide niet hoefde over te steken.

Voortaan nam de schaapherder het oude olifantenpaadje, wanneer hij terug kwam van de stal. Hier en daar hakte en sneed hij takken af en leidde het spoor langs een rots, zodat hij minder hoefde te klimmen. Het olifantenpaadje bewees opnieuw zijn nut.

Niet veel later waren het pelgrims, handelaren en zelfs stropers die er gebruik van maakten. En weer weken de struiken uiteen. De zon kreeg vrij spel en de modder droogde op. Het paadje werd een pad. Het pad werd een straat voor voetgangers, rijtuigen en wagens die door ezels en paarden werden getrokken. Er ontstond handel en wandel. Het bos werd een stad, waar kooplieden elkaar ontmoetten om hun goederen te verhandelen. Hun karren kropen langs de hellingen. De straat werd een plein, het centrum van de nieuwe metropool.

 

Elke dag bewegen inwoners en bezoekers zich, zonder dat te beseffen, over het oude olifantenpaadje. Elke dag dwalen duizenden mensen in de uitgesleten voet- en hoefsporen van mens en dier. De drooggevallen beek wordt een toeristische fietsroute.

De speurzin van de jongen en het meisje zijn vergeten, net als de moed van de schaapherder.

 

Om de oude route te veranderen, zoals die waterdragers en de schaapsherder, honderden jaren geleden, worden ook wij uitgedaagd om nieuwe wegen te creëren. Net als zij moeten wij onze ogen de kost geven. Onze speurzin aanwakkeren. Om het levende water te bereiken.

Om verouderde onbegaanbare wegen, diep gesneden in onze gedachten, te begraven.

Om te durven en te beseffen. Om los te komen van vastgeroeste angsten.

Om tijd te overstijgen en de sprong te maken. Om rotsen te trotseren en hellingen te beklimmen.

Om je geest te transformeren. En vrij te zijn. Om jezelf weer leven in te blazen.

Om te doen wat anderen nog niet hebben gedaan.

Om de weg vrij te maken van alle rotsblokken en takken, die ons het zicht hadden ontnomen.

Om een nieuw olifantenpad te creëren.