Lammyskrabbels.nl

Columns

Welkom in Nederland

Dat mensen in groepen leven, binnen bepaalde grenzen, ontdek ik bij aardrijkskunde op de lagere school. De kaart van Nederland hangt prominent voorin het klaslokaal en na verloop van tijd teken ik dan ook bijna blindelings de contouren van ons land. Het land dat ik voor me zie als een hond, met de kop achterwaarts gedraaid ofwel met de staart aan de verkeerde kant. Een dier met gebreken, als je het mij vraagt. En niet te vergelijken met de leeuw in ons wapen.

Een jaar of tien ben ik wanneer ik voor het eerst bewust de grens passeer; dat gebeurt tijdens een uitstapje met een vriendin en haar familie. Ergens in het Zuiden wandelen we over een onzichtbare lijn.

‘Nu ben ik in het buitenland, jippie!’ De euforie neemt toe wanneer we teruglopen; dan zien we het grensbord: Welkom in Nederland.

 

Tijdens een opruimactie op zolder vind ik mijn allereerste schrijfschriftje terug tussen spullen van toen. Ik lees het volgekrabbelde etiket: ‘Dit boekje is van Lammy Vriesinga, Prinses Marijkestraat 18, Hasselt, Overijssel, Nederland, Europa, de Wereld, het Heelal.’

Ik ken mijn plaats, blijkbaar.

 

Met de buurtkinderen speel ik landverovertje op een braakliggend veld. Ieder neemt een mes mee. 

Of – wanneer onze moeders daar een stokje voor steken - iets dat daar voor door kan gaan. De gelukkige bezitter van een echt zakmes trekt daarmee vierkante vlakken in de aarde. Het bazigste kind verdeelt die.

Als volleerde grootgrondbezitters krassen we met het mes een naam in het ons toegewezen stukje grond: Spanje, Israël, Griekenland.

"Friesland" kerf ik in die van mij, waarop een discussie volgt tussen de bazigste en de zakmesbezitter. Immers Friesland is geen echt land, ook al spreken wij, friezen, een raar taaltje en houden wij er – volgens de buurtkinderen -  soms eigenaardige gewoontes op na.

Als de naam is goedgekeurd, weet ik dat mijn afkomst wordt gedoogd. Mikkend met een bot aardappelmesje leer ik grenzen verleggen en ontdek ik spelenderwijs dat dit gepaard gaat met het begrenzen van de door mijn buurtgenootjes vertoonde expansiedrift.

 

Hoewel onze landsgrens minder wordt afgebakend, spreekt het nog altijd tot ieders verbeelding. De Nederlandse hond is niet veranderd, zelfs niet met een op de zee veroverde polder erbij. Mijn grens-overschrijdend gedrag brengt ook niet meer diezelfde euforie als toen; daarvoor ben ik al te vaak over grenzen gegaan. Toch blijf ik me bewust van die onzichtbare, maar o zo herkenbare scheidslijnen, die volkeren en culturen kenmerken.  Vooral wanneer ik naar ons land en zijn inwoners mag kijken door de ogen van nieuwe mederlanders. Zo schrijft de Irakese Al Galidi in zijn ‘Dagboek van een ezel,’ dat hij, toen hij als kind op school leerde dat Nederland ‘laag land’ betekent, zich voorstelde dat men vanuit Duitsland en België via trappen afdaalde naar Nederland.

 

Op het schoolplein, in afwachting van kleinkinderen, sta ik naast een stille man; Ik denk dat hij ergens in een Noord-Afrikaans land is geboren en dat hij misschien helemaal niet stil wil zijn. Daarom begin ik een praatje met hem, over koetjes en kamelen, waar hij enthousiast op in gaat.

'Nu ik u toch spreek,´ zegt hij in voortreffelijk Nederlands met een verrassend noordelijk accent, ´Weet u in welke AZC honden worden toegelaten?´

Verbijsterd kijk ik hem aan. ´Hoe bedoelt u?´

Per slot van rekening weet je het maar nooit. Er zijn volkeren waar men de vijand voor hond uitmaakt, hetgeen door de ander als uitermate beledigend  wordt opgevat. Zoekt deze man ruzie?

‘Ik zoek een asielzoekerscentrum voor een hond,’ antwoordt hij ernstig.

'Uw hond?´

'Nee, een zwerver. Verwaarloosd en gebrekkig. Onze buurvrouw geeft ‘m soms wat vlees. Ze zegt dat ie naar het asiel moet. Honden heb ik nooit gezien in de vier AZC’s waar ik woonde, maar er zijn er meer, in dit land. Toch?’

Dan snap ik het.

 

Nadat ik de kinderen thuis heb gebracht, vertel ik het voorval aan mijn dochter. De jongens spelen al weer buiten, met de buurtkinderen. ‘Handen omhoog of ik schiet!’

Hé…, landverovertje.

 

In zijn ‘Dagboek van een ezel’ beschrijft de auteur wat er op zijn voordeur komt te staan, mocht hij ooit in dit land een huis voor zichzelf krijgen: Hier woont asielzoeker, allochtoon, buitenlander, terrorist, moslim, sjïet, gevaar, Al Galidi. Ook hij kent zijn plaats, blijkbaar.

Welkom in Nederland