Lammyskrabbels.nl

Columns

Weerbaarheid

Op bezoek in mijn geboorteplaats, wacht ik in een winkel om een boek af te rekenen. Ik ben niet de enige. Naast me staat een man, die me vaag bekend voorkomt. Er is iets met hem. Zijn manier van kijken, die gespeelde glimlach, die bazige houding. Angst en ergernis bekruipen mij, als ik hem herken. Dit is mijn pestkop van toen.

Dagelijks kwamen we elkaar tegen. De broers N, op weg naar hun school en wij, mijn zusje en ik, in tegengestelde richting naar die van ons. Altijd moesten ze ons hebben met hun getreiter, geduw en gespuug. Vooral de oudste van die twee.

Door hen kwamen wij te laat en kregen straf. Ze smeten mijn boeken in de modder. Ze sleurden mijn zusje achter de dijk, het hoge natte gras in, waar ik haar huilend en besmeurt aantrof en verwoede, maar vergeefse pogingen deed haar weer toonbaar te maken. Ik was niet weerbaar genoeg, voelde me schuldig, omdat ik mijn zusje niet had weten te beschermen.

Nu staat die rotzak hier. Dit is mijn kans op revanche, schiet het door me heen.

Maar ach, hij zal inmiddels een gerespecteerde volwassene zijn, met keurig opgevoede kinderen. Hij zal zich zijn slachtoffers van toen niet meer herinneren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe weinig hij in uiterlijk is veranderd, op wat kreukels en het vergrijsde haar na.

Ik reken af. Buiten wordt er op mijn schouder getikt. ‘Dat is lang geleden. Lammy is het toch? Van de fietsenmaker?’

Dat die kwal mij bijna herkent. ( die fietsenmaker was mijn oom). Ik herken mezelf amper in dat meisje van toen, met die strik en een snoet vol sproeten.

‘Je stem verraad je,’ grijnst de man, alsof hij mijn gedachten kan lezen. ‘Je weet nog wie ik ben?’

Zeker wel, maar dat komt hij niet te weten. ‘Waar ik u van moeten kennen?’

Even uit het veld geslagen, herpakt hij zich en steekt zijn hand uit.

Ik negeer het gebaar. ‘Zegt me niets,’ lieg ik, ‘ sorry.’

‘Ach toe, van onze schooltijd. Mijn broer en ik, we speelden..’ Ik wil het niet horen. Ik bedwing de neiging mijn handen tegen mijn oren te drukken en weg te hollen. Ik kijk hem recht in zijn gezicht, waar dat vage cynische lachje niet van af te branden lijkt. Geen spoor van wroeging, zie ik, alleen die smalende grijns, die dwingende toon. Net als toen.

‘Ik ben Lammy. Klopt. Maar u herinner ik me echt niet.’ De teleurstelling op zijn gezicht doet me goed. Alsof ik het meen leg ik mijn hand op zijn arm. ‘Weet u, ik heb een prachtige jeugd gehad. Alle leuke herinneringen koester ik. Het zijn er domweg te veel en daardoor kan ik nu eenmaal niet alles onthouden. Alleen de mooiste, hé?’

‘Neem me niet kwalijk,’ stamelt mijn belager, ‘dat ik je heb lastig gevallen.’ Eindelijk een bekentenis. Je moest eens weten, denk ik. Schielijk trekt hij zijn arm terug. Terwijl hij wegloopt zie ik zijn gebogen schouders. Ik heb de broers N eindelijk verslagen.

 

Van alle trainingen die ik verzorg, is de vraag naar de weerbaarheidstraining ‘Ik ben er ook nog’ het grootst.

Ik moet nog wel eens aan dit voorval denken. Weerbaar ben je niet zomaar en niet op elk moment. Maar weerbaar, assertief zijn kun je leren en ook achteraf toepassen. Zelfs na een halve eeuw.