Lammyskrabbels.nl

Columns

Mistflarden op Goede vrijdag

Goede vrijdag. Koos kijkt naar een programma op een Belgische tv-zender. Er zijn mensen van het eerste uur aan het woord, zoals medewerkers van de luchthaven, die aan het werk waren toen de aanslagen plaatsvonden. Ik kijk met een halve blik mee, terwijl ik ter afleiding en ontspanning een sudoku in de krant probeer op te lossen.

Een taxichauffeur staat op een standplaats, hoort de knallen, ziet de ruiten springen, het vuur ontbranden en de rook naar buiten kringelen. Hij springt uit zijn auto en gaat de vertrekhal binnen, om zijn zoon te zoeken, die daar in een horecagelegenheid werkt. Zijn mobiele telefoon filmt terwijl het verlichte scherm wat licht brengt in de duisternis. Het geluid staat ook aan.

De sudoku doet er niet meer toe. Of ik wil of niet, ik moet kijken, luisteren. Mijn adem stokt.

Het huilen, het roepen, het kreunen. Natuurlijk is het mogelijk me daar een voorstelling van te maken, zonder dat televisie of andere media het laten zien en horen. Maar toch. Het is op dat moment alsof we daar zelf lopen, in het kielzog van die taxichauffeur, op zoek naar een dierbare.

 

We werden vooraf gewaarschuwd: de beelden kunnen schokkend zijn.

We blijven kijken. We kunnen niet anders. Een klein meisje, een peuter, staat middenin de chaos zachtjes te jammeren. Haar handjes verfrommelen de stof van haar kleren. Ze kijkt even op naar dat beetje licht in de handen van de taxichauffeur. Naast haar, op de grond, tussen de stukken plafond en het neerdwarrelende stof, ligt het dode lichaam van de moeder.

De chauffeur vindt de jongeman niet. Uren later verneemt de vader dat zijn zoon gewond, maar in leven is.

 

Diezelfde avond rijd ik in de mist terug naar huis. Met het koor waar ik deel van uitmaakt heb ik enkele van de zeven kruiswoorden gezongen in een goede-vrijdag-viering. Ooit op muziek gezet door de componist Haydn. Prachtige klanken. Mooi gezongen, al zeg ik het zelf. Ik kan met een goed gevoel naar huis gaan, maar steeds is daar dat meisje, naast haar beschadigde moeder, die niet meer opstaat, haar niet meer oppakt, knuffelt, troost.

Ze wil niet van mijn netvlies wijken.

Ik spreek mezelf toe. Die taxichauffeur zal niet zonder meer doorgelopen zijn. Waarschijnlijk heeft hij om zich heen gekeken en vond hulpverlener die zich over het peutertje heeft ontfermd. Dit ontredderde moment heeft vast niet lang geduurd, volgens Koos eerder, in een poging mij wat op te beuren.

Het helpt niet. Ik weet het: ik doe dit mezelf aan en vind geen geruststelling. Ik kàn eenvoudigweg niet de knop omzetten. Het voelt als verraad aan dat meisje.

 

Tussen de afslagen vlak voor Hoorn verandert de mist in flarden. Ik zet de autoradio aan. De Mattheus vult de ruimte. Erbarme dich. Troostrijke woorden, warme klanken.

Ineens bedenk ik dat het beeld van dat kleine meisje in de verwoeste vertrekhal niet op zichzelf staat. Het is min of meer dagelijkse kost. In Syrië, Irak, Pakistan, Afghanistan, Jemen en Turkije.

Bommen, ook uit Nederland, doden. Overal staan huilende kinderen bij het kapotte lichaam van hun moeder. Hun radeloosheid is die van mij geworden. Ik kan en mag het niet negeren.

Radeloos. Het woord zegt het al: ik weet me geen raad, zoals velen. Maar ik moet er wel wat mee.

Ik moet mezelf raad geven. Behalve het beetje dat ik kan doen, het rodekruis financieel steunen bijvoorbeeld, al sus ik me daarmee niet in slaap, kan ik ook meer dan voorheen de focus leggen op de slachtoffers van geweld in verder-van-mijn-bed-landen.

Zulke afspraken kan ik met mezelf maken.

En verder kan ik nog maar één ding doen: Het beeld van dat meisje naast haar dode moeder op deze manier met jullie delen. Ik weet, het is niet veel, maar het is het enige dat ik kan. Schrijven.